OLIEBRANDEN

Als onderdeel van een tactiek van de verschroeide aarde schoten Iraakse militairen in januari 1991 oliebronnen in Koeweit in brand. Ook moest de rook die door de branden ontstond, het zicht van Amerikaanse en andere geallieerde bommenwerpers tijdens de Golfoorlog bemoeilijken. De hitte kon dienen als schild tegen een landoffensief.

In april 1991 maakte de bemanning van de Space Shuttle vanaf een hoogte van 457 kilometer deze foto van de brandende olievelden in Koeweit. De rookpluimen zijn afkomstig van meer dan zevenhonderd brandende oliebronnen, en waaieren uit tot ver boven het grondgebied van Saoedi-Arabië. Rechtsboven op de foto is de delta van de Eufraat en de Tigris te zien. Aan de baai, ten noorden van de grootste bundel rookpluimen, ligt Koeweit-Stad. In totaal telde Koeweit op dat moment 950 oliebronnen.

Eind februari, nog voor het einde van de oorlog, werden medewerkers van de Amerikaanse blusexpert naar Saoedi-Arabië gestuurd om te beginnen met de voorbereidingen voor het doven van de branden. Toen werd nog verwacht dat deze werkzaamheden vele maanden zouden duren en dat de schade aan het milieu zeer groot zijn.

Uiteindelijk bleek dat mee te vallen. Doordat de rook niet hoger in de atmosfeer kwam dan ongeveer drie kilometer en daardoor eerder neersloeg op aarde, waren de gevolgen voor het klimaat gering. Ook bleek de roetproductie veel kleiner dan verwacht.

In de eerste week van april werd de eerste oliebrand geblust. De laatste brand werd op 6 november 1991 gedoofd, veel sneller dan werd aangenomen – in augustus van dat jaar werd nog verwacht dat het minimaal tot maart 1992 zou duren.