Een nucleaire nachtmerrie

De oude opgebrande splijtstof van de Nederlandse kernreactor Dodewaard moet in het Engelse Sellafield worden opgewerkt. Maar zal dat wel gebeuren? Op bezoek bij een controversiële opwerkingsfabriek, met een geschiedenis van verzwegen ongelukken, onduidelijke militaire activiteiten, vervuiling en onzekerheid over gezondheidsrisico's.

In de opwerkingsfabriek Thorp in Sellafield aan de Engelse westkust tikt een reusachtige klok. Een virtuele klok is het, of liever gezegd: een alomaanwezige elektronische metronoom. Tek-tok-tek-tok, vierentwintig uur per etmaal. Het is het actieve veiligheidssysteem van de fabriek die tot de gevaarlijkste van Europa wordt gerekend. Hier worden hoog radioactieve splijtstofstaven opengebroken en opgelost in heet salpeterzuur zodat er plutonium en uranium uit kan worden teruggewonnen. Zodra de klok stil valt, is het zaak de fabriek binnen de kortste keren te verlaten.

Thorp is in 1994 in gebruik genomen en vorige week mochten twee Nederlandse journalisten een kijkje komen nemen, voor zover ze niet in het bezit waren van open wonden of ongeboren vruchten. 't Kon ook màkkelijk, want de fabriek lag stil. Waarom werd eerst niet duidelijk.

De kleine persdelegatie was uitgenodigd door staatsbedrijf British Nuclear Fuels (BNFL), eigenaar van de fabriek en van een enorm nucleair complex daaromheen en tevens verantwoordelijk voor de afvoer van de oude opgebrande splijtstof van kernreactor Dodewaard. Met dat transport is vandaag een begin gemaakt. BNFL realiseerde zich dat er nogal wat bezwaren waren tegen Sellafield als eindbestemming, dat `Sellafield' een controversiële plaats was, en had daarom besloten de Nederlandse pers te laten zien dat alle verontrustende verhalen zwaar overdreven waren. `Openheid is ons devies.' Maar veel bleef ongenoemd als de twee journalisten er niet naar vroegen.

Sellafield, dat tot aan 1981 formeel Windscale heette, is de plaats waar Engeland na de oorlog in allerijl aan de productie van haar atoombommen begon. Engeland en Canada hadden tijdens de oorlog met de VS samengewerkt in het Manhattan-project en hadden zich dus spelenderwijs de benodigde nucleaire kennis verworven. Maar van een eigen kernwapenproductie in Engeland was het nog niet gekomen. Dat zou nu gaan gebeuren. Met het oog op de veiligheid van de bevolking en de aanwezigheid van voldoende koelwater werd een eenzame plek aan de oever van de Ierse Zee gekozen als plaats voor de eerste militaire kernreactor, daar waar het riviertje de Calder van de rotsige heuvels klaterde. De plek, waar een oude munitiefabriek had gestaan, was al in handen van het ministerie van Defensie. In 1947 werd het terrein bouwrijp gemaakt en kon worden begonnen met de bouw van de twee eenvoudige kernreactoren die het plutonium voor de begeerde bommen moesten leveren: de Windscale Piles. Al in 1950 en 1951 gingen ze in bedrijf en al in 1952 was met behulp van de eerste opwerkingsfabriek voldoende plutonium verzameld om er een bom uit samen te stellen (en te laten ontploffen). Op dat moment was nog nooit één afbeelding van het complex in de pers gepubliceerd, dat zou pas in 1954 gebeuren. Windscale was geheim. (Het staat handzaam samengevat in het boekje Britain's nuclear nightmare (1988) van James Cutler en Rob Edwards.)

Het bleef niet bij de Windscale Piles met hun twee reusachtige ventilatieschachten van ruim 125 meter hoog, die nog steeds de skyline bepalen. Al in 1953 werd op hetzelfde complex begonnen aan de bouw van nog twee reactoren voor plutoniumproductie: Calder Hall A en B. Dit waren de eerste reactoren van Engeland's vermaarde Magnox-serie die metallisch uranium gebruikt in plaats van het gangbaarder uraniumoxide. Anders dan de Windscale Piles leverden ze ook elektriciteit aan het openbaar net. In 1955 begon het werk aan Calder Hall C en D en werden wat verderop aan de Ierse Zee, even over de Schotse grens, maar liefst vier Magnox-reactoren tegelijk in aanbouw genomen: Chapelcross A, B, C en D.

De eerste Magnox-reactor werd in 1956 door koningin Elizabeth geopend en ging in 1957 in productie. Dat kwam goed uit want in hetzelfde jaar werden de Windscale Piles alweer buiten gebruik gesteld. In oktober 1957 ontstond in één van de twee plutoniumreactoren een zware grafietbrand (enigszins vergelijkbaar met hetgeen er in Tsjernobyl in 1986 gebeurde) en werd ruim een etmaal veel radioactief materiaal over de wijde omgeving verspreid. De omringende landen werden pas laat op de hoogte gesteld, wat Nederland betreft in feite pas nadat een Nederlandse onderzoeker zèlf had geconstateerd dat de westenwind ongekend veel radioactief polonium aanvoerde. Het was, verontschuldigen vertegenwoordigers van BNFL zich nu, nu eenmaal de tijd van de Koude Oorlog en er was Engeland veel aan gelegen het Windscale-complex buiten de publiciteit te houden. Het was natuurlijk ook pas vier jaar na Eisenhowers vermaarde `Atoms for peace' toespraak, de tijd van de promotie van kernenergie als veilige energiebron. (Een zwaar ongeluk in een nucleaire opwerkingsfabriek in de Sovjet-Unie, ook in 1957, werd in het westen evenzeer geheim gehouden.)

Het nucleaire complex van Windscale breidde zich na de jaren vijftig gestaag uit. Er verscheen nòg een andere reactor, een experimentele AGR-reactor (Advanced Gas-cooled Reactor, in 1981 weer gesloten) en de eerste, strict militaire opwerkingsfabriek B204 werd uitgebreid met de nieuwe B205 die ook civiel werk te doen kreeg (aan metallische Magnox-splijtstof). Tot halverwege de jaren zeventig gold kernergie als de energiebron van de toekomst en koesterde men hoge verwachtingen van de zogenoemde kweektechnologie: speciale kweekreactoren zouden vooral plutonium als brandstof gaan gebruiken en dat plutonium zouden ze zelf in hun mantel uit uranium `kweken'. In 1974 viel daarom het besluit op het Sellafield-terrein ook nog een grote opwerkingsfabriek te plaatsten die plutonium uit het gangbaarder uraniumoxide kon terugwinnen: de Thermal Oxide Reprocessing Plant: Thorp. Dat was net een paar jaar voor de publieke waardering van kernenergie door het ongeluk in Harrisburg (1979) omsloeg en de Amerikaanse president Carter in de VS aan àlle civiele opwerking een einde maakte omdat hij het proliferatie-gevaar (weglekken van materiaal naar kwaadwillenden) te groot vond. Maar de Britse kolonne, eenmaal in beweging, kon niet meer worden gestopt. BNFL ging zelfs investeren in speciale transportschepen voor de aanvoer van op te werken splijtstof.

In de anti-militaire jaren zeventig groeide de kritiek op de eigenaardige vermenging van civiele en militaire functies van Sellafield, die volgens een SIPRI-analyse tot eind jaren tachtig is blijven bestaan (en in Frankrijk nog steeds bestaat) en nam ook de verontrusting en verontwaardiging over de ongebreidelde lozingen op de Ierse Zee toe. Vanuit medische en ecologische hoek kwam er aandacht voor de gevolgen die dat voor mens en dier kon hebben. Wie nu op de databank Medline het trefwoord `Sellafield' intikt, stuit op een overvloed van artikelen waarin de effecten van de lozingen op zee en lucht worden beschreven.

Met de Franse opwerkingsfabriek Cogéma in Normandië geldt Sellafield als de grootste nucleaire vervuiler van de zeeën rond West-Europa. Het afval van de fabrieken is rond Groenland en in de Barentsz-zee terug te vinden. Zeker is ook dat de talloze ongelukken en ongelukjes de omgeving van Sellafield aanzienlijk met plutonium en ander radioactief materiaal hebben besmet. Hoe dichter men bij het complex woont, hoe hoger het plutonium-gehalte van tanden en kiezen blijkt te zijn.

Daar moet onmiddellijk aan worden toegevoegd dat de huidige lozingen nog maar een fractie zijn van die uit de jaren zeventig en dat het tot op heden niet is `gelukt' te bewijzen dat de hogere kans op leukemie en op het krijgen van doodgeboren kinderen (en chromosoom-afwijkingen) rond Sellafield met nucleaire vervuiling samenhangt. Andere verklaringen zijn mogelijk en zelfs waarschijnlijk. BNFL kan aantonen dat de bevolking rond het complex van de nucleaire activiteiten een stralingsdosis oploopt die verwaarloosbaar is ten opzichte van de natuurlijke achtergrondstraling (die ter plekke laag is). Dit, in het kort, is het controversiële karakter van `Sellafield': verzwegen ongelukken, onduidelijke militaire activiteiten, vervuiling en onzekerheid over gezondheidsrisico's.

Het bestuurlijk en commercieel reilen en zeilen van de Thorp-installatie, die ongeveer 10 miljard gulden heeft gekost, is op de voet gevolgd door de Financial Times, die een bruikbaarder beeld van de ontwikkelingen gaf dan de BNFL-vertegenwoordigers het vorige week ter plekke deden. Al voor de opwerkingsfabriek in 1994 in gebruik ging stond vast dat de opwerkingscontracten ruwweg voor eenderde uit Japan, eenderde Engeland en eenderde Europa (vooral Duitsland en Zwitserland) zouden komen. Opwerkingscontracten worden voor zeer lange termijn gesloten en krijgen vaak een min of meer expliciete ondersteuning van regeringen. Nog in hetzelfde jaar van de feestelijke ingebruikneming van Thorp werd in Duitsland een federale wet zó veranderd dat opwerking niet langer verplicht was. Prompt lieten twee kerncentrales (Krummel en Gundremmingen) weten te willen her-onderhandelen over hun opwerkingscontracten. De Duitse afkeer van het peperdure opwerken nam geleidelijk toe en werd ronduit bedreigend toen eind 1998 de Groenen in de regering kwamen. Op dat moment was trouwens al aan alle transport van Duitsland naar Engeland een voorlopig einde gekomen omdat een enkel transport te zeer nucleair vervuild was geweest.

Dat was het begin van een reeks tegenvallers die de toekomst van Thorp zeer onzeker heeft gemaakt. Want alle Europese kweekreactoren zijn inmiddels geloten en door de grote aanvoer van plutonium uit ontmantelde kernwapens is er geen enkele behoefte meer aan plutonium. Ook aan uranium is geen gebrek door nieuwe ertsvondsten en de tegenvallende bouw van nieuwe centrales (het Tsjernobyl-effect). De uraniumprijs is lager dan ooit.

Tot overmaat van ramp hebben ook de geprivatiseerde Britse kerncentrales laten weten dat zij van opwerking af willen en moest de onafhankelijke Britse Nuclear Installations Inspectorate (NII) na weer nieuwe ongelukken en storingen vaststellen dat de veiligheidscultuur van Thorp, en BNFL in het algemeen, sterk te kort schoot.

En het schort niet alleen aan de veiligheid: ook de kwaliteitscontrole van BNFL laat te wensen over. In het najaar van 1999 werd duidelijk dat medewerkers van BNFL hadden gefraudeerd bij de kwaliteitscontrole op speciale splijtstof die voor Japan was bestemd. Het leidde uiteindelijk tot het ontslag van BNFL's directeur John Taylor. Japan eiste terugname van de splijtstof en vertoont nu de grootste aarzeling bij het aangaan van nieuwe contracten. Het valt niet uit te sluiten dat het afval van Dodewaard helemaal nooit wordt opgewerkt.