Brommen op de hei

Tot aan de einder strekt zich een glooiend heideveld uit. De grote stille heide bestaat dus nog in Nederland, hier, op de Sallandse Heuvelrug, op het landgoed Sprengenberg. Een paar maanden geleden moet het als een gigantisch paars tapijt de ruimte hebben gevuld. Het gebied is in handen van Natuurmonumenten en dat betekent dat het oude landschap niet aan zijn lot wordt overgelaten. De natuurbeschermers staan op de bres voor meanderende beekjes, plantenrijke hooilandjes, bossen vol dood hout en heide zonder pijpenstrootjes. Door de hei geregeld te maaien en af te plaggen verhindert men dat het paars door een gele zee van grashalmen wordt vervangen. Bossen en akkers vallen eveneens binnen de grenzen van het landgoed.

Een diepe brom komt opeens uit het bos aanrollen en golft verder over de hei. Het loeiende geluid is tot kilometers ver in de omtrek te horen. De midwinterhoorn! Ik had de in boerenkiel gestoken leden van het plaatselijke blazersensemble al hier en daar tussen de bomen zien staan. In hun hand hielden ze een gekromde houten hoorn van zeker een meter lengte. Vroeger blies de boer op de hoorn van een koe, maar later sneed hij het instrument uit een krom gegroeide berken- of wilgenstam. In het donkere jaargetijde zette hij zijn instrument op de rand van een put neer: zo werden de diepe tonen flink versterkt. Elke buurtschap had vroeger een eigen melodie. Het zou hier om een oud-Sallands of oud-Twents volksgebruik gaan dat de tand des tijds glansrijk heeft doorstaan. Boze geesten, die in het donkere jaargetijde hun schuilplaatsen verlieten, zouden door het aanhoudende, monotone gebrom verjaagd worden. Na de kerstening van het platteland werd deze traditie aan de geboorte van het kindeke gekoppeld.

Hoe zit deze vork in de steel?

Gelukkig bestaat er een wetenschap, de volkskunde, die zich met dit soort zaken bezighoudt. Het toeval wil dat J.J. Voskuil, een van de bekendste beoefenaars van dit vak, ooit zijn licht over de midwinterhoorn heeft laten schijnen. Weliswaar bestempelt hij in `Het Bureau' de volkskunde als `apekool', maar dat wil niet zeggen dat hij er als wetenschapper met de pet naar gooit.

Voskuil kan niets beginnen met de bewering dat het midwinterhoornblazen een herinnering is aan voor-christelijke tijden; als je geen gegevens hebt, is immers alles mogelijk. Hij vermoedt dat het blazen zijn oorsprong vindt in een laat-middeleeuws kerstspel. Hoe dan ook, het gebruik is rond 1920 nagenoeg verdwenen. Daarna kwam er, dankzij de inspanningen van Twentse regionalisten, een opleving. Ook de volkskundige D.J. van der Ven zette zijn beste beentje voor: `Men doet niemand tekort met de stelling dat de wedergeboorte van het midwinterhoornblazen begint als D.J. van der Ven zich met de folklore gaat bemoeien.'

Een Twentse streekgenoot bezweert hem: `Meneer Van der Ven, i'j könt gerust wàzen, wi'j hölt `t old gebruuk in eere'. Voskuil vergelijkt het standbeeld van de hoornblazer in Hengelo met `Us Mem' en andere symbolen van regionale identiteit.

Hij noemt het hoornblazen geen overgeleverde folklore, maar `folklorisme'. Het is afgezakt tot publieksvermaak. Er worden wedstrijden georganiseerd, een hoornblazer speelt mee in een jazzorkest en zelfs meisjes zetten de hoorn aan de mond. `Hoewel dit laatste ongetwijfeld van feministische zijde zal worden toegejuicht', schampert Voskuil, `kan men zich voorstellen dat onze Germaanse voorouders zich bij zo'n ontwikkeling in de urn omdraaien.'

Tja, folklore, folklorisme, echt en niet echt. Het is een waar woord dat zodra men de eigen folklore heeft ontdekt, men haar alweer heeft verloren. Zelfs de koe- of ossenhoorn is uit zijn graf opgestaan - zo wordt er rond `mirreweentersoavond' in Markelo weer geblazen door mannen die gestoken zijn in `authentieke kostuums van rond de eeuwwisseling'.

Maar toch, boze geesten of niet, tussen Advent en Driekoningen, klaagt in Twente en de Achterhoek weer de midwinterhoorn. Het geluid past wonderwel bij een decor van kale bomen, berijpte akkers en een zwerm putters in het hakhout.