Bestuurlijke integriteit

ER WAART EEN misverstand door Nederland: het misverstand dat strafrecht en bestuursrecht door elkaar lopen. Volgens fractieleider Melkert (PvdA) is voormalig burgemeester en ex-minister Peper (PvdA) weer volledig inzetbaar voor de publieke zaak, nu een mogelijke strafzaak tegen hem is geseponeerd. Anderen, zoals een hoogleraar bestuurskunde en een CDA-parlementariër, draaien het om door onderscheid te maken tussen strafbare schuld en bestuurlijke integriteit en zien daarom geen nieuwe functie voor Peper weggelegd.

Het sepot is goed nieuws voor Peper. De affaire over zijn declaratiegedrag heeft hem niet alleen politiek, maar ook persoonlijk getroffen. Peper vond dat hem onrecht was aangedaan, omdat hij zich gedurende zijn zestienjarige burgemeesterschap van Rotterdam volledig en niet zonder succes voor de stad had ingezet, ook toen zijn privé-leven hem rond 1990 in de steek liet. Bovendien was de gemeenteraad, die bijna tien jaar na dato op onderzoek ging, er al die tijd met het volle verstand bij geweest. Pas toen de raad, met een negatief rapport van de forensische accountants van KPMG in de hand, zich achteraf bedacht, verloor Peper het vertrouwen dat hij nodig had als minister van Binnenlandse Zaken en trad hij af.

Peper beloofde als vrij burger terug te vechten tegen de bevindingen van KPMG en gemeenteraad. Het eerste succes heeft hij geboekt met het sepot. Een gemeenteraadslid uit Rotterdam gaat nu bij het gerechtshof proberen zijn gelijk te halen. Maar diens kansen zijn een stuk kleiner geworden. Het gaat nu vooral nog om Pepers klacht tegen KPMG, die in behandeling is bij de tuchtraad van het accountantsgilde. De uitspraak in deze zaak zal het broodnodige licht werpen op de vraag of KPMG bij het forensische onderzoek over de schreef is gegaan, zoals Peper meent.

MAAR BETEKENT het feit dat de beschuldigingen strafrechtelijk onvoldoende zijn tegelijkertijd dat hem bestuurlijk niets te verwijten is? Melkert heeft deze vraag positief beantwoord. Premier Kok is aanzienlijk behoedzamer. Volgens hem moet de oud-minister zelf bepalen hoe ,,hij verder wil''. Kok heeft gelijk. Dat de kwestie-Peper tot een heuse affaire kon uitgroeien, heeft Peper namelijk mede aan zichzelf te danken. Vanaf het moment dat de zaak in de Rotterdamse gemeenteraad begon te spelen, is hij in lijn met zijn karakter vanuit zijn departement in Den Haag in de tegenaanval gegaan. Nimmer heeft hij een stap opzij gezet. Dat was weliswaar een novum geweest in de staatkundige cultuur – in Nederland is men minister of men is het niet, even pauzeren is ongekend – maar het zou Pepers collega's minder hebben belast met de solidariteit die nu van hen werd geëist.

Peper zou, als hij daar zelf voor voelt, niettemin weer beschikbaar moeten kunnen zijn voor een functie in het publieke domein. Hij doet er verstandig aan de uitspraak van de tuchtraad van accountants af te wachten. Die zal bepalend zijn voor de vraag of de partijen in het conflict zich altijd onkreukbaar hebben gedragen. Integriteit is immers cruciaal in het openbaar bestuur. Politici en hun ambtenaren moeten aan hogere normen voldoen dan gewone burgers. Daar hebben ze zelf voor gekozen. Maar het begrip `integriteit' mag geen partijpolitieke term worden. Het is een woord waarmee de bestuurlijke aansprakelijkheid wordt samengevat. De verantwoordelijkheid daarvoor berust bij de uitvoerende en de controlerende organen gezamenlijk.