Vernieuwend operaregisseur

De betekenis van de Duitse operaregisseur Götz Friedrich, die gisteren op 70-jarige leeftijd in Berlijn overleed, strekte zich uit over vrijwel de gehele internationale operawereld. Zijn voorstellingen waren te zien tot in New York en Tokio. In ons land functioneerde Friedrich vanaf 1972 als `chef-regisseur' bij de Nederlandse Opera, benoemd door de toenmalige intendant Hans de Roo. In het aan De Roo gewijde boek Een noodzakelijke luxe schreef Friedrich later dat De Roo eens tegen hem zei dat ze ervoor moesten zorgen dat opera in het jaar 2000 nog zou bestaan. ,,Ik was perplex. Eenvoudiger en kernachtiger kan niet worden omschreven waarvoor wij werken, strijden, spelen en fantaseren.''

Friedrich legde in ons land de basis voor de huidige, dramaturgisch georiënteerde ensceneringskunst, later op zijn sterkst voortgezet in de producties van Harry Kupfer, eveneens afkomstig uit Oost-Duitsland en nu intendant van de Komische Oper in het voormalige Oost-Berlijn, waar Friedrich was begonnen.

Götz Friedrich, op 4 augustus 1930 als notariszoon geboren in Naumburg, kreeg zijn opleiding vanaf 1953 van Walter Felsenstein, de legendarische intendant van de Komische Oper. Die was de grondlegger van de naoorlogse Duitse operaregie, het regisseurstheater, waarbij opera niet langer ouderwetse historie is, maar wordt beschouwd als eigentijds theater en de enscenering een hoogstpersoonlijke èn actuele visie van de regisseur toont. Nu is dat vanzelfsprekend, destijds was het revolutionair. Ook in ons land waren Friedrichs scherp geprofileerde voorstellingen na het tijdperk van braaf gestileerd realisme, vaak controversieel en werden ze beschouwd als `geëngageerd' en `sensationeel'. Zo flitste Mozarts Le nozze di Figaro (met het Europese debuut van Catherine Malfitano) voor het eerst ook zonder één enkele coupure toch voorbij.

In een interview met deze krant zei Friedrich in 1983 dat hij door het zien van films veel had geleerd over uitbeelding van mensen en timing, ,,de twee factoren die ook in het muziektheater het zwaarste wegen.'' Friedrich zag opera als het samenkomen van de historische, de tegenwoordige en de utopische tijd. ,,Het spel met de tijd is eigenlijk ook altijd een spel aan de grens van het leven, zoals het archetypische operapersonage Orfeus al de grens van leven en dood wilde overschrijden.''

Friedrich maakte ook een film van Strauss' opera Elektra met Leonie Rysanek in de titelrol en een indringende tv-versie van zijn productie van Strauss' Salome met Teresa Stratas in de titelrol. In 1972 vertrok Friedrich naar West-Duitsland, sinds 1981 was hij intendant van de Deutsche Oper in West-Berlijn, waar hij in de zomer van volgend jaar zou worden opgevolgd door de componist Udo Zimmermann.

In totaal maakte Friedrich 170 operaproducties, waaronder opmerkelijke Wagnervoorstellingen. Een fameus publiek schandaal was zijn enscenering van Wagners Tannhäuser in Bayreuth met de zwarte zangeres Grace Bumbry in de bacchanaalscène. Beroemd was ook zijn in verschillende wereldsteden vertoonde productie van Der Ring des Nibelungen, gesitueerd in de `tunnel van de tijd', geïnspireerd op de underground in Washington. Zijn Parsifal, consequent opgevat als een imitatio Christi, werd in Bayreuth gespeeld in een decor dat bestond uit een omgevallen kerk, waarbij over de glas-in-loodramen werd gelopen.

In ons land regisseerde Friedrich in de periode 1972-1984 zeven operaproducties, met in totaal veertien vertoningsseries. Falstaff, Aida (een productie in de piste van Carré), Tristan und Isolde, Le nozze di Figaro, Wozzeck, Orfeus in de onderwereld (ook in Carré, met Jasperina de Jong als De Openbare Mening) en Don Giovanni. Die laatste productie werd gekenmerkt door de fel belichte bloedvlek, die achterbleef na de moord op de Commendatore aan het begin van de voorstelling, zodat men daaraan steeds werd herinnerd.

Vooral Friedrichs Tristan und Isolde (1974) staat mij in het geheugen gegrift. Het decor bestond uit een spiraal, symbool voor de levensweg die in het niets verdwijnt, en die in de laatste acte geheel naar boven was getrokken. Daar in de hoogte zong Isolde (Berit Lindholm) over de Liebestod, alsmaar flauwer verlicht. Uiteindelijk was de zaal tijdens een laatste extra sterk crescendo van dirigent Michael Gielen tegelijkertijd volkomen duister en volmaakt gevuld met Wagners muziek: ,,ertrinken, versinken, unbewusst, höchste Lust!''