Veel visueel genot bij Gerrit Dou

Gerrit Dou schilderde in 1663 een zelfportret waar zijn artistiek en maatschappelijk succes vanaf spat. De vijftigjarige kunstenaar staat er, leunend op een tafel, bestudeerd-nonchalant bij, tegen de achtergrond van een klassieke bogenstelling. De weldoorvoede gestalte gaat gekleed in een met bont afgezette jas en draagt een dito hoed, in zijn linkerhand houdt hij losjes een wandelstok. Trots en zelfbewust blikt hij, niet in de gedaante van schilder maar van een voornaam heer, de beschouwer aan.

Op de achtergrond heeft Dou de Blauwpoort van zijn woonplaats Leiden geschilderd, mogelijk als verwijzing naar het literaire leven in die stad waarmee hij zichzelf zou willen hebben associëren – de Blauwpoort was destijds het trefpunt van de lokale rederijkers. Maar ook kan het zijn dat Dou door het beeld van de stadspoort in zijn zelfportret op te nemen, zijn trouw aan Leiden heeft willen uitdrukken: nog maar kort tevoren had de schilder een aanbod van de Engelse koning Karel II om aan diens hof te komen werken, afgeslagen met als argument dat hij daarvoor zijn geboortestad niet wenste te verlaten. Dou kon het zich veroorloven: zijn schilderijen brachten voor die tijd enorme bedragen op en in de kunstliefhebber Pieter Spiering had hij lange tijd een mecenas die zich tegen een vast jaargeld verzekerde van het recht op de eerste keuze uit de productie van de schilder.

De vermogende gentleman-schilder kon het dus kalm aan doen, en dat is te zien aan de werken die nu worden getoond in het Haagse Mauritshuis. Met engelengeduld moet Dou hebben gewerkt: uiterst precies bracht hij de verf op, soms in maar liefst twaalf lagen, aandacht bestedend aan alle mogelijke effecten die de weergave van stoffen en materialen zo natuurgetrouw mogelijk konden maken. Met haarfijne penselen en turend door een vergrootglas maakte hij zijn eindeloos gedetailleerde voorstellingen, die hij blijkbaar lang in zijn atelier hield om er, soms jaren later, nog eens op terug te komen. Een beroemde anekdote, opgetekend door Dou's tijdgenoot Joachim von Sandrart, wil dat de schilder zijn palet en penselen achter slot en grendel borg om ze schoon te houden en dat hij ook niet aan het werk ging voordat alle stofdeeltjes in het atelier waren neergedwarreld.

Het beeld van een hypernauwkeurige fijnschilder, die op geen brede penseelstreek valt te betrappen, heeft de waardering voor Gerrit Dou niet altijd goed gedaan. Hoewel hij gevierd was in zijn eigen tijd, werd hij in de negentiende en de eerste helft van de twintigste eeuw door critici beschouwd als een buitengewoon vaardig, maar overigens bloede-loze schilder – zeker als zijn werk werd afgezet tegen dat van zijn leermeester Rembrandt, de held van de geniale intuïtie en de ongekunstelde emotie. Maar zelfs als in aanmerking wordt genomen dat de waardering voor Dou pas sinds een jaar of dertig weer is toegenomen, is het bijna ongelofelijk dat dit de eerste monografische Dou-expositie is sinds de zeventiende eeuw, toen Johan de Bye de schilder eerde door 27 van diens werken te tonen.

En nu er in het Mauritshuis veertig van Dou's portretten, stillevens en genretafereeltjes op een rij hangen, blijkt het met die pijnlijke nauwkeurigheid ook nogal mee te vallen. Een Man met pijp (omstreeks 1645) bijvoorbeeld, vertoont juist een aantrekkelijke combinatie van gedetailleerdheid en een virtuoze, losse penseelvoering die garant staat voor een gevarieerd spel van licht en donker in het gezicht. En in een tronie van een oude man heeft Dou de rimpels in het voorhoofd aangezet door, zoals Rembrandt vaak deed, met de achterkant van het penseel in de verf te krassen. Gedeelten als de mond en het oor van de man zijn eerder gesuggereerd dan precies uitgewerkt.

De catalogus bij deze tentoonstelling maakt veel werk van beschrijvingen van techniek en stijl, en de auteurs laten geen gelegenheid onbenut erop te wijzen hoe knap, verbluffend, verfijnd Dou's werken wel zijn. Ook de expositie zelf concentreert zich op het visuele genot dat de schilderijen opleveren, door uitsluitend werk van deze kunstenaar te laten zien en nauwelijks in te gaan op de soms bijzonder complexe inhoud ervan. Catalogus, zaalteksten en een begeleidend tekstboekje geven wel wat informatie over bijvoorbeeld de veronderstelde moraliserende strekking van sommige werken, maar zo summier en zonder vergelijkingsmateriaal dat die benadering enigszins karikaturaal aandoet. Een kaars en een melkkruik, zoals in De wijnkelder (1660) mogen dan `fallische en baarmoederachtige' vormen hebben, maar zo plompverloren gebracht lijkt het alsof we in iedere kaars en kruik verwijzingen naar vleselijke lust moeten zien.

Een opvallend motief dat nogal eens terugkomt in Dou's schilderijen, is een geschilderd stenen reliëf onder een vensterbank, met een voorstelling van putti die met een masker een bok voor de gek houden. De symbolische waarde van dat motief laat aan duidelijkheid weinig te wensen over. Het masker is een verwijzing naar Pictura, de schilderkunst die door haar bedrieglijke kwaliteiten het oog van de beschouwer misleidt en daardoor bekoort. En dat was Gerrit Dou bij uitstek toevertrouwd.

Tentoonstelling: Gerrit Dou 1613-1675. Mauritshuis (Korte Vijverberg 8, Den Haag).

T/m 25/2. Catalogus (Uitgeverij Waanders): 160 blz., ƒ49,50.

Inl. (070) 3024345.

Gerrit Dou

Bij de recensie Veel visueel genot bij Gerrit Dou (in de krant van woensdag 13 december, pagina 11) staat een verkeerd telefoonnummer vermeld. Het juiste inlichtingennummer is 070-3023435.

    • Bram de Klerck