Koehandel kan verhoudingen in EU niet regelen

De wil om een geloofwaardig, goed geïnspireerd en doeltreffend organiseerd Europa tot stand te brengen was afwezig op de EU-top van Nice. De ondermijners van de Europese gedachte zullen wel in hun vuistje lachen, meent Leo Tindemans.

De uitbreiding van de Europese Unie tot 28 lidstaten (en wellicht nog meer) is technisch, economisch, maatschappelijk en cultureel een ongewoon ernstige aangelegenheid. Sommigen noemen die operatie, terecht, `een historische uitdaging'. Dit klinkt enigszins als een gemeenplaats maar het blijft voor de Unie een kwestie van leven of dood. In 1993 zei de toenmalige voorzitter van de Europese Commissie, Jacques Delors, ,,dat de uitbreiding van de Europese Gemeenschap wel eens het einde ervan zou kunnen betekenen''. Dit leek geloofwaardig, aangezien niet alle lidstaten er toen dezelfde opvattingen over de eindfase van het `Europese Huis' op na hielden. Vandaag ook niet.

Het komt me nu voor dat de onderhandelaars in Nice dat niet voldoende hebben beseft. Zij hadden hun toevlucht genomen tot een Intergouvernementele Conferentie (IGC) om hun beslissingen voor te bereiden, niettegenstaande de mislukking van IGC-96. Ook ditmaal is het geen succes geworden. Een jaar lang werden documenten opgesteld en besproken, waarmee de IGC-2000 helemaal geen rekening heeft gehouden. In Nice werd duidelijk geprobeerd een nationale show op te voeren. Er is bovendien al een nieuwe IGC aangekondigd! Om nog een mislukking tegemoet te gaan? Is het nog niet duidelijk dat deze formule niet werkt?

De drie Europese `wijzen' (Dehaene, Von Weizsäcker, Simon) hadden eerder geoordeeld dat een ,,alomvattende hervorming'' — een brede aanpak van de `institutionele problemen' – moest worden ondernomen, want er zou zich ,,wellicht in de toekomst geen betere gelegenheid meer voordoen''. Zij drongen erop aan dat de omvang en samenstelling van de Europese Commissie, weging van stemmen in de Raad van Ministers, (waaronder herweging, dubbele meerderheid en drempel van gekwalificeerde meerderheid) en de uitbreiding van de besluitvorming bij meerderheid dringend worden geregeld. Het medebeslissingsrecht van het parlement was hier volgens hen aan verbonden.

De hervorming van de Commissie werd in Nice naar later verschoven en de discussie over de herweging van de stemmen in de Raad van Ministers geleek wel op een nachtelijke opera buffa. Telkens viel op dat men `blokkeringsmaatregelen' bij besluitvorming wilde versterken. De kwestie van meerderheid in de Raad kreeg geen overtuigende oplossing.

De twist tussen Nederland en België was tegelijkertijd bedroevend en ergerlijk. Het ging om één enkel punt. De wonden die daarbij werden veroorzaakt zullen wel niet snel genezen. Het was alsof sommigen de gelegenheid aangrepen om de Benelux blijvende schade toe te brengen. Nochtans is deze unie een stuk van onze eigenheid. Is men dat vergeten?

In Nice gaven bepaalde standpunten aanleiding tot ergernis: een land als Spanje haalt niet onbelangrijke voordelen uit de structuurfondsen, doch eiste een vetorecht op in deze sector. Voor beslissingen over sociale en culturele kwesties blijft de regel van de eenparigheid gehandhaafd. Maar de middelen om deze uitgebreide Unie behoorlijk te laten werken, werden niet besproken.

Opvallend waren ook de wisselende allianties: Duits-Spaans, Duits-Brits, Duits-Italiaans, maar niet Duits-Frans. Is de verstandhouding tussen deze twee dan niet langer de basis van de Europese eenmaking?

De wil om een geloofwaardig, goed geïnspireerd en doeltreffend georganiseerd Europa tot stand te brengen was kennelijk niet aanwezig. Bij de zogeheten `versterkte samenwerking' (van lidstaten die op bepaalde terreinen verder willen gaan dan de rest van de EU) werd niet gezegd waaraan men dacht. De ondermijners van de Europese gedachte zullen wel in hun vuistje lachen.

De transparantie van de Unie werd niet vergroot; wel werd duidelijk dat geen `verlossende' idee het Europees debat `op het hoogste niveau' inspireerde. Jacques Delors zei op 4 mei 1994, vlak voor de stemming over de opneming van Finland, Zweden, Oostenrijk (en Noorwegen), dat Europa leed onder drie ziekten die op een genezing wachten: de unanimiteitsregel in de Raad, de uitzonderingen toegestaan op de Europese verdragen, en het verbod over de eindfase (finaliteit) van de eenmaking te spreken. In Nice bestond blijkbaar niet eens de wens over dit laatste te spreken. We varen dus verder, zonder te weten waar we naartoe gaan.

Toch zullen de verhoudingen tussen de lidstaten van de Europese Unie niet definitief met koehandel kunnen worden geregeld. Welk Europa willen we tenslotte? Kan men de twee essentiële aspecten van een integratie blijvend negeren: het gewicht van een lidstaat en de principiële gelijkheid van de lidstaten in een internationale organisatie? De twee kunnen geëerbiedigd worden, maar niet met het touwtrekken van Nice, tussen landen die kennelijk tegenstrijdige opvattingen blijven koesteren.

Het grootste politieke idee van deze tijd dreigt zo ondermijnd te worden. De vraag rijst dan ook of men de tragische geschiedenis van de twintigste eeuw al is vergeten.

Leo Tindemans is oud-minister van Buitenlandse Zaken van België en oud-lid van het Europarlement.

een stukje

van onze eigenheid