Huisarts moet uit schrijnend bestaan verlost worden

Huisartsen komen morgen in de Amsterdamse RAI bijeen om hun eis dat ruimhartig in de beroepsgroep wordt geïnvesteerd, kracht bij te zetten. Maar een financiële injectie alleen is niet voldoende. Er zijn ook drastische veranderingen nodig opdat huisartsen hun werk weer op een normale manier kunnen doen, meent Ignace Schretlen.

Het is een prachtig beroep – huisarts. Geen andere beroepsgroep maakt mensen immers van zo nabij mee, van de wieg tot het graf. Huisartsen beschikken over een unieke kennis van de gehele Nederlandse bevolking. De politiek heeft hen uitverkoren als spil van de gezondheidszorg. Er lijkt dus geen vuiltje aan de lucht.

En toch vindt voor de tweede keer in korte tijd een `manifestatie' van huisartsen plaats. `Donderdag 14 december is het even zondag,' luidt één van de aankondigingen van de manifestatie, waarmee wordt geduid op de zondagsdienst die dan overal in Nederland wordt gedraaid. Toch zullen maar weinig huisartsen met een zondagsgevoel naar de Amsterdamse RAI komen: het gaat niet mis, het ís al mis.

Volgens de Landelijke Huisartsenvereniging (LHV) is voor de noodzakelijke verbeteringen in de huisartsenzorg een investering nodig van 1.3 miljard gulden. Maar het gaat niet alleen om geld. Er heerst veel onvrede bij de huisartsen over de zwaarte van hun beroep en de manier waarop zij hun vak moeten uitoefenen. Maar klagers worden door hun collegae vaak als kneusjes beschouwd; met wat aanbevelingen hier en een cursus daar moeten zij hun attitude maar bijstellen en anders dienen zij maar ander werk te zoeken, hetgeen door velen ook wordt gedaan. Tegenover het onbegrensde begrip dat huisartsen vaak naar patiënten tonen, staat niet zelden een beangstigende intolerantie ten opzichte van elkaar.

Ruim veertig jaar geleden werd de functie van de huisarts officieel omschreven als het `aanvaarden van de verantwoordelijkheid voor een continue, integrale en persoonlijke zorg voor de zich aan hem toevertrouwende individuele mensen en gezinnen.' Maar sindsdien heeft de huisartsgeneeskunde in Nederland alleen maar terrein verloren: het aantal huisartsen met een eigen apotheek is fors geslonken, de begeleiding tijdens de zwangerschap en in het kraambed is grotendeels overgenomen door verloskundigen, de groei en ontwikkeling van zuigelingen en peuters worden gevolgd door consultatiebureau-artsen, bij acuut letsel gaan veel mensen rechtstreeks naar de eerste hulpafdeling van het ziekenhuis en de zorg voor veel ambulante psychiatrische patiënten is in handen van de geestelijke gezondheidszorg.

Wie niet beter zou weten, zou zich bijna afvragen hoe het dan toch mogelijk is, dat zoveel huisartsen opgebrand raken. Heeft het iets te maken met hun toekomstperspectief? Vroeger was de huisarts, die het wat rustiger aan wilde doen, immers overal in de gezondheidszorg inzetbaar: als medisch adviseur, directeur patiëntenzorg, bedrijfsarts, keuringsarts, verpleeghuisarts of geneeskundige in een instelling voor verstandelijk gehandicapten.

Tegenwoordig wordt de huisartsgeneeskunde vooral bepaald door trends en maatschappelijke ontwikkelingen. Toen in de jaren zeventig de menswetenschappen opgeld deden, werd de huisarts tijdens de kersverse beroepsopleiding van één jaar omgeturnd tot halve gedragswetenschapper, die overlopend van empathie, de patiënt tegemoet trad. Tien jaar later deed met het no-nonsense beleid in de politiek de verzakelijking van de (huis)arts-patiënt-relatie haar intrede. In de jaren negentig kreeg de huisarts het gezicht van een manager die de zorgvraag van de patiënt op een efficiënte en transparante wijze diende af te handelen. Massaal werden de praktijken geautomatiseerd.

De eigen identiteit van de huisarts werd verloochend. Begrippen als een luisterend oor, medeleven, troost en zelfs zorg verdwenen allengs van het toneel. Over lijden lijkt nu alleen nog maar gesproken te worden in het kader van euthanasie. Het streven naar uniformering verdient lof, maar in de praktijk lijken andere factoren, zoals de inbreng van de patiënt, de besluitvorming tijdens het consult te bepalen. De alom geprezen automatisering loopt forse averij op. Leveranciers van softwarepakketten trekken zich terug en vermoedelijk werkt nu meer dan de helft van alle huisartsen met verouderde programma's.

Anticiperen op de informatietechnologie impliceert veel meer dan leren omgaan met een computer. Het is minstens zo belangrijk om te leren communiceren met patiënten die de invloed van dezelfde informatietechnologie ondergaan; niet zelden begint een consult met de omgekeerde volgorde dan vroeger, namelijk met de door de patiënt voorgestelde therapie op basis van een door hem gestelde diagnose. (Bij)scholing verloopt vooralsnog moeizaam. De introductie van de praktijkverpleegkundige, waar de LHV zich zo voor heeft beijverd, verloopt moeizaam: van een werklastvermindering lijkt geen sprake, de financiering stuit op problemen en andere knelpunten hebben inmiddels prioriteit gekregen.

Anno 2000 voelt menig huisarts zich het vuilnisvat van de gezondheidszorg: hij incasseert de onvrede van patiënten over de gevolgen van de budgettering van de ziekenhuizen, van hem wordt verwacht dat hij gedwee de gevolgen van nieuwe regelingen opvangt en het is zijn taak om alle administratie in goede banen te leiden. Het verwachtingspatroon van patiënten neemt toe en hun bereidwilligheid om te incasseren neemt af. Voor een in vergelijking met specialisten zeer karig inkomen mag de Nederlandse huisarts zich te pletter werken.

Het bestaan van al dan niet aan ziekenhuizen gelieerde doktersposten, huisartsen die bij wijze van proef voor hun patiënten ziekenhuisbedden krijgen toegewezen, externe poliklinieken en specialisten die in gezondheidscentra spreekuur houden en zelfs bereid zijn om patiënten thuis te bezoeken, wijst op een versmelting van de eerste- en tweedelijns gezondheidszorg. Nog één stap verder in de richting van de integratie en de vraag doemt op of het niet beter is om de noodlijdende huisarts uit zijn schrijnende bestaan te verlossen. Maak van de poortwachter een poortarts, algemeen consultant of medisch-maatschappelijk werker in ziekenhuizen en externe poliklinieken.

Vijftien jaar geleden lag in de la van het ministerie al een toekomstscenario voor een gezondheidszorg zonder huisartsen. Het doembeeld van toen lijkt nu alsnog realiteit te worden, tenzij alsnog drastische veranderingen worden gerealiseerd die veel verder gaan dan een financiële injectie van 1.3 miljard gulden.

Ignace Schretlen is huisarts en publicist.