ECB kan geldgroei bijstellen

Morgen bespreekt de ECB de `referentiewaarde' voor de geldgroei voor volgend jaar. Verhogen kan, maar zou de status van de geldgroei voor het monetaire beleid wel sterk benadrukken.

Nog maar 2,5 jaar oud is de Europese Centrale Bank, maar toch ontwikkelt zich al langzamerhand de jaarlijkse kadans van de traditie. Morgen buigt de raad van bestuur van de centrale bank zich over de jaarlijkse weging van één van de twee pijlers onder het monetaire beleid: de groei van de geldhoeveelheid in Euroland.

Het volgen van de groei van de geldhoeveelheid als leidraad voor het monetaire beleid gaat terug tot de aanpak van de Duitse Bundesbank, de belangrijkste centrale bank van Europa vóór de start van de Economische en Monetaire Unie in 1999. Kern van het geldgroei-beleid is de aanname dat de groei van de geldhoeveelheid (chartaal en giraal geld en korte-termijndeposito`s) gelijke pas moet houden met de groei van de hoeveelheid geproduceerde goederen en diensten in een economie, vermeerderd met de jaarlijkse inflatie. Groeit de geldhoeveelheid te snel, dan komt er te veel geld in omloop tegenover de geproduceerde goederen en diensten, en zal de ontwaarding van dat geld versnellen. Een te hoge geldgroei wakkert de inflatie dus aan.

Eind 1998 stelde de ECB een `referentiewaarde' van de geldgroei vast, op 4,5 procent, en sindsdien vergadert zij elk jaar in december over een mogelijke herziening van die referentiewaarde.

Wat weegt de bank dit jaar mee? Eerste ingrediënt is de maximaal toegestane inflatie. De ECB hanteert zelf een doelstelling van een inflatie tussen de 0 en 2 procent. Dan is er de economie. De potentiële economische groei leek in Euroland altijd te liggen op tussen de 2 en 2,5 procent. Maar het is inmiddels consensus aan het worden dat structurele veranderingen in de euro-economie die potentiële groei hebben opgeschroefd, tot tussen 2,5 procent en 3 procent. Dat geeft opgeteld met de gemiddelde inflatiedoelstelling een bandbreedte van van tussen 2,5 procent en 5 procent voor de geldgroei.

Derde factor is de omloopsnelheid van het geld. Waaraan het ligt weet niemand nog precies, maar de omloopsnelheid van het geld in Euroland neemt structureel af, met volgens de ECB zo'n 1 procent per jaar. De laatste tijd is daar echter een versnelling in gekomen. Sinds begin 1998 ligt het driejaars-gemiddelde van de daling van de omloopsnelheid op meer dan 1 procent en steeg door naar 1,7 procent halverwege dit jaar.

Bij een lagere omloopsnelheid ligt er meer geld vast in de economie, zonder dat dit tot prijsdruk leidt. De gedaalde omloopsnelheid mag zo worden opgeteld bij de gemiddelde inflatiedoelstelling en de potentiële groei. Dat geeft bij een dalende omloopsnelheid van tussen 1 procent en 1,5 procent een doelstelling voor een `neutrale' geldgroei van tussen 3,5 procent en 6,5 procent.

In het midden daarvan ligt 5 procent, hetgeen zou veronderstellen dat de referentiewaarde morgen licht wordt verhoogd vanaf de huidige 4,5 procent. Er is echter één probleem: de werkelijke geldgoei in Euroland beweegt zich al sinds 1998 boven de referentiewaarde. De ECB heeft hiertegen verdedigd door te benadrukken dat de referentiewaarde slechts een referentie is, en geen doel waarnaar onmiddelijk moet worden gehandeld door de rente te verhogen.

Een bijstelling naar boven van de referentiewaarde zou impliceren dat er toch actief mee wordt gewerkt. En dat zou de status van de geldgroeipolitiek voor het monetaire beleid verhogen, waar de ECB hem juist heeft twee jaar lang heeft gerelativeerd.

Bovendien is er naast de geldgroei nog de tweede pijler voor het monetaire beleid. En dat is het volgen van een reeks gegevens die de werkelijke inflatie helpen voorspellen – een beleid dat meer weg heeft van de Angelsaksische praktijk. Op 21 december presenteert de ECB op basis daarvan voor het eerst `projecties' voor toekomstige inflatie. Of de centrale bank morgen wel of niet sleutelt aan de referentiewaarde voor de geldgroei, zal veel zeggen over de status van die zich ontwikkelende tweede pijler ten opzichte van de van Duitsland geërfde geldgroeipolitiek.