Bush?

Na de laatste twee uitspraken van het federale Hooggerechtshof waag ik het erop. George W. Bush wordt president.

Met 7 tegen 2 stemmen heeft dit hof het besluit tot herstemming van het Hooggerechtshof in Florida ongedaan gemaakt, en daarna met 5 tegen 4 beslist dat er `geen tijd meer is' om nog eens te gaan tellen. Vooruitlopend op deze dubbele uitspraak had de Republikeinse meerderheid in het Huis van Afgevaardigden van Florida al besloten, Bush de 25 kiesmannen van de staat te geven. Gore zou wel een blinde optimist moeten zijn als hij dacht dat tegen deze overmacht nog iets viel te beginnen. Als hij zijn nederlaag toegeeft, is hij bezweken onder het trommelvuur van voldongen feiten zoals dat de afgelopen vijf weken door Republikeinse meerderheden in vertegenwoordigende lichamen en gerechtshoven op hem is losgelaten. Houdt hij nog vol, dan heeft hij een neiging tot zelfvernietiging, en dan is het maar goed dat hij geen president is geworden. (Dit schrijf ik op woensdagochtend).

Nu nemen we aan dat de politieke impasse van de stembusuitslag en de juridische van vele gerechtshoven eindelijk is doorbroken. Daarmee is de nieuwe stagnatie begonnen. Het democratisch proces heeft wel resultaten gebracht, maar niet die tot de begeerde doelen van de democratie horen. Eerder het tegendeel. Niet meer het resultaat van vandaag, maar de erfenis van deze vijf weken van verwarring, die in werkelijkheid een opheldering zijn van de staat waarin de Amerikaanse politiek zich bevindt.

Dat de kiezers die gestemd hebben, zich bij benadering nauwkeurig over de twee partijen hebben verdeeld, is een uitslag die om zoveel mogelijk consensus roept. De kans daarop begon al kleiner te worden nog vóór in alle staten de stemmen waren geteld. Sinds de zevende november heeft zich een loopgravenoorlog ontwikkeld, waarin tenslotte ook het Hooggerechtshof zich heeft laten politiseren. Het onmiddellijk partijbelang heeft van het begin af en daarna steeds

duidelijker alle andere overwegingen verdrongen.

In beide kampen laten serieuze critici zich horen. Ze zijn van mening dat door deze voorgeschiedenis de legitimiteit van het presidentschap wordt aangetast. Mij dunkt dat ze gelijk hebben. Het democratisch systeem is ontworpen om iedere stem te laten tellen. Als dat door technische mankementen in eerste instantie wordt verhinderd, moeten die worden verholpen door zo vlug, zo goed mogelijk te hertellen. In plaats daarvan heeft het Hooggerechtshof de defecten impliciet als gevolgen van een bovennatuurlijk ingrijpen beschouwd. Een president die zijn ambt en macht te danken heeft aan slechte stemmachines, steunt feitelijk op een hoop oud roest. Onwelwillend bezien ziet het eruit als een wat onhandig aangepakte, traag verlopen staatsgreep.

Het fiasco van Florida zal het wantrouwen van het Amerikaanse publiek in `de' politiek doen toenemen en de kritiek van de Amerikanen zelf op de werking van het systeem nog aanwakkeren. Het wantrouwen blijkt al jaren uit de opkomst: ongeveer de helft doet niet mee. De kritiek geldt een complex dat tegen de verdrukking in groeit. `Florida' is niet het begin. Dit drama van hardnekkigheid wordt aan het complex toegevoegd.

Om te beginnen is er de financiering van de steeds meer geld eisende campagnes, het fundraising en daarin het bestanddeel soft money, de bedragen die door belanghebbenden op de achtergrond in de partijkassen worden gestort, en de kandidaten oneigenlijk belasten. Het is oncontroleerbare invloed van `corporate America', de niet nader te bepalen mate waarin het presidentschap wordt `gekocht'. (Zie bijvoorbeeld Charles Lewis, The buying of the president, of Robert Kuttner, Everything for Sale). Daarbij komt de veranderende aard van de campagnes, de gestage vermindering van de programmatische inhoud ten gunste van de politieke verkoopbaarheid zoals die door voortdurende marketing wordt beïnvloed. De agressieve demagogie in de attack ads die het publiek de keel uithangen, maar waarvan de kandidaten de verleiding telkens weer niet kunnen weerstaan. Dan de ondoordringbaarheid van Washington, omringd door honderden lobbyisten met hun oncontroleerbare activiteiten. En niet in de laatste plaats de acht jaar van Bill Clinton waarin het politieke nieuws hoe langer hoe meer in beslag werd genomen door schandalen en onderzoeken, met het impeachment als hoogtepunt. De politiek is eigenlijk al sinds het presidentschap van Nixon, geeïndigd met Watergate, ten prooi aan een constante devaluering.

Het fiasco van Florida is een nieuwe fase waarin deze keer een stembusuitslag zich in een politiek ongeluk voortzet. In welke mate deze vijf weken van guerrilla bij het publiek verwarring hebben gewekt, toont een enquête: 47 procent is van mening dat op enigerlei wijze met de uitslag is gerommeld, en 59 procent vindt dat Al Gore nu zijn nederlaag moet erkennen. Beter een beetje bedrog met een president die misschien daaraan zijn betrekking dankt, dan nog langer zonder president. De vraag naar legitimiteit is daarbij, impliciet, van de tweede orde geworden maar niet verdwenen. De stemmen van Florida worden herteld, door een wetenschappelijk instituut, een journalist, wie of wat dan ook. Er ligt een publicitaire tijdbom.

Blijft het praktische probleem van de consensus na de beslissing. Bush heeft meer polariserende bagage dan Gore. Zijn staat van dienst als gouverneur van Texas, op het gebied van het milieu en onderwijs zijn miserabel tot zwak, zijn kennis van de buitenlandse politiek praktisch nihil, zijn opvattingen over de strafrechtpleging (met een nationaal record aan executies) is niet alleen naar Europese opvattingen barbaars.

De nieuwe president staat bij zijn aantreden voor een gebergte van problemen, samengevat, het begin van een herstel van vertrouwen in het democratisch systeem. Daarbij heeft hij twee handicaps: de verbitterde polarisatie en het wantrouwen in de legitimiteit. Is dat een `constitutionele crisis'? Misschien, zij het nog toegedekt door welvaart en groei.

    • H.J.A. Hofland