Zwerfkat (2)

Marianne en Ronald bogen zich met ingehouden gretigheid voorover naar de zwerfkat. Zouden ze haar zo gemakkelijk kunnen inpalmen?

Nee, besloot een dame-met-een-hondje. Ze sloeg de hoek om en bleef verbaasd staan, op enkele meters van het tafereel. ,,Gaat u haar meenemen?'' vroeg ze. Ja, ze kende het katje goed, wie in deze buurt kende haar zo langzamerhand niet? Mevrouw was reuze spraakzaam op dit ongelegen tijdstip. Ik stond achter haar en had bijna geroepen: ,,Mevrouw, donder nu even op met dat hondje.'' Maar dat zijn geen dingen die je tegen mevrouwen in Amsterdam-Zuid roept.

De zwerfkat rekende ons deze slapheid ernstig aan, en glipte weg. ,,Die laat zich niet meer pakken'', zuchtte Ronald. Hij posteerde zich met een grote vangkooi bij een gangetje achter de huizenrij van de PC Hooftstraat. Wij namen enkele sombere scenario's door, terwijl de kat om een hoek verdwenen was. Waar was Marianne eigenlijk? Diezelfde hoek om?

Jazeker. Want daar kwam ze alweer aan. Mét kat. Ze hield haar aan haar nekvel omhoog, een halve meter voor haar borst. Zo kwam ze in triomf op ons afgespurt. Een mirakel, vond Ronald, terwijl hij haastig een kleinere kooi opende en de kat erin stopte. Marianne had haar met een blikje voer vanonder een auto gelokt en meteen dóórgetast. Knap werk. ,,Ik denk dat ze eerder op vrouwen afkomt omdat ze altijd door vrouwen is gevoerd'', legde Marianne uit.

Op naar de Bijlmer, naar de dierenkliniek van Ronald, die in zijn vrije tijd ook nog de Stichting Hart voor Kansloze Dieren runt. (Donateurs altijd welkom, postbus 22136, 1100 CC Amsterdam). ,,Beroven we haar nu niet van haar vrijheid?'' vroeg ik nog. Ronald hielp me snel van mijn valse romantiek af.

,,Een kat wil maar twee dingen'', zei hij, ,,lekker eten en een warm plekje. Zo'n beestje gaat buiten een ellendige toekomst tegemoet. Wat gebeurt er als ze van de mensen geen water en voedsel meer krijgt? Ze kunnen bovendien dodelijke ziektes op elkaar overbrengen, zoals bloedkanker en aids. Hun doodsstrijd kan akelig lang duren, we treffen ze soms in coma aan.''

Ons poesje hield zich intussen opmerkelijk rustig. Ze leek eerder verbaasd dan verontwaardigd. Alleen in de kliniek, toen ze een ontwormingspil kreeg toegediend, ging ze er even vandoor. Maar ze liet zich weer makkelijk oppakken. Ronald zette haar wat achteraf in een grote kooi. Ze ging op haar zij liggen, waakzaam, maar niet agressief.

,,Het lijkt me qua karakter een moordkat'', zei Ronald. ,,Je hebt slimme en domme katten, maar zij moet heel slim zijn, anders handhaaf je je niet drie jaar op straat.'' Ik vroeg waar hij de kat ging onderbrengen. Voorlopig bij zichzelf, zei hij, daarna misschien bij een van de mensen die zijn stichting steunen. Ik keek nog eens goed naar de kat, en ik zag haar opeens als een vrouw die ik heel graag wilde hebben. En het mocht ook nog.

We gaan haar Neeltje noemen. Per slot van rekening is ze in de Pieter Corneliszoon Hooftstraat gevonden.