Trouw aan monarchale grondwet

s de goedkeuringswet voor het huwelijk van kroonprins Willem-Alexander uit de tijd – `volkomen uit de tijd', zoals sommige Kamerleden van GroenLinks vinden – of vloeit ze voort uit een hoger staatsbelang, dat sommige Kamerleden onvoldoende kennen of eigenlijk het liefst zouden verwerpen?

De bedoelde Kamerleden van GroenLinks verklaarden in een interview met de Volkskrant van 23 november grote bezwaren te hebben tegen de parlementaire goedkeuringsprocedure. Ze vinden het ongepast dat het parlement zich over de huwelijkskeuze van de kroonprins moet uitspreken en stellen zich op het standpunt dat het zich daarmee niet langer moet inlaten.

Het probleem is echter dat de Grondwet het voorschrijft, en ervoor gewijzigd zou moeten worden om de Kamerleden in kwestie de gewenste gemoedsrust te bezorgen. Een dergelijke grondwetswijziging maakt op dit moment geen enkele kans en zou trouwens zo lang duren, dat het huwelijk van Willem-Alexander en Maxima dan al lang gesloten is. Zij zou de bezwaarde Kamerleden van GroenLinks dus niets helpen.

Parlementaire instemming met het huwelijk van de koning is sinds de Grondwet van 1814 vereist. Sedert 1887 schrijft de Grondwet die goedkeuring ook bindend voor troongerechtigde prinsen of prinsessen voor. De Grondwet formuleert het negatief. De koning die een huwelijk sluit ,,buiten bij de wet verleende toestemming'' (art. 28 Grondwet) verliest de kroon. Hij doet ,,daardoor afstand van het koningschap''. Ook troongerechtigden die trouwen zonder parlementaire toestemming, worden, met hun kinderen, van de erfopvolging uitgesloten.

Regering en volksvertegenwoordiging zijn dus op grond van een grondwettelijk voorschrift tot wettelijke samenwerking verplicht. Of ze het leuk vindt of niet – de volksvertegenwoordiging moet zich over de huwelijkskeuze van de kroonprins uitspreken, om de eenvoudige reden dat de regering alleen geen toestemming kan geven. De volksvertegenwoordiging – die daarover in verenigde vergadering beslist – moet zich er wel mee inlaten. Individuele Kamerleden kunnen zich van stemming onthouden, dan wel tegenstemmen, de Kamers als geheel kunnen zich niet aan de goedkeuringsprocedure onttrekken.

Uiteraard heeft de volksvertegenwoordiging ook de bevoegdheid om haar instemming aan de huwelijkskeuze te onthouden. In feite heeft ze daarmee een vetorecht over de huwelijkskeuze van koningen en prinsen. Van oudsher heeft het parlement erop moeten toezien dat het vorstenhuis zich niet met `onwaardige' elementen verbond. Dat is meer dan een theoretische mogelijkheid. Als kroonprinses Beatrix zich in 1965 met een nazi zou hebben verloofd, zouden de Kamers ongetwijfeld naar hun vetowapen gegrepen hebben. Als de regering een jaar eerder parlementaire goedkeuring voor het huwelijk van haar zuster Irene gevraagd zou hebben (wat ze uiteindelijk achterwege liet) zou die goedkeuringswet hoogstwaarschijnlijk verworpen zijn. Zou een daarmee vergelijkbaar geval zich nu aandienen, dan zou GroenLinks waarschijnlijk de eerste zijn geweest om van dat veto gebruik te maken.

De bezwaarde Kamerleden van GroenLinks beseffen ongetwijfeld maar al te goed, wat de Grondwet op dit punt van de volksvertegenwoordiging verlangt. Namelijk niets minder dan steun aan het nationale koningschap. Door aanvaarding van de goedkeuringswet betuigt het parlement niet alleen instemming met de huwelijkskeuze van de kroonprins, het neemt er ook verantwoordelijkheid voor. De Kamers aanvaarden daarmee de rol van schutspatroon van het prinselijke huwelijk. Het ligt niet voor de hand dat Kamerleden van GroenLinks dergelijke uitgangspunten graag onderschrijven. Waarschijnlijker is dat ze de implicaties van hun grondwettelijke taak enigszins hebben onderschat en zich er te laat rekenschap van hebben gegeven dat de Grondwet een onverbloemd monarchaal karakter heeft.

De inhuldigingseed die Kamerleden op de koning afleggen laat daarover trouwens geen enkel misverstand bestaan. De zin ,,Wij zweren (beloven), dat wij uw onschendbaarheid en de rechten uwer kroon zullen handhaven; wij zweren (beloven) alles te zullen doen wat goede en getrouwe Staten-Generaal schuldig zijn te doen'' (uit de inhuldigingseed) is een ondubbelzinnige loyaliteitsverklaring aan het koningschap. Ook als ze wegblijven of op het moment zelf geen deel van de Kamers uitmaken, worden Kamerleden geacht het koningschap te steunen. In hun eed zweren (beloven) ze immers trouw aan de grondwet. In die formule is ook trouw aan het koningschap inbegrepen.

In Engeland loopt de nationale consensus over het koningschap nog geen onmiddellijk gevaar, maar ze is geen onbetwiste vanzelfsprekendheid meer. Sinds het dagblad The Guardian een groot aantal constitutionele experts heeft gemobiliseerd om een fundamentele aanval op de Britse monarchie in te zetten, is het zelfs de vraag of koningin Elizabeth II nog blindelings op de trouw van al haar ministers kan rekenen. Van haar eerste minister Tony Blair heeft zij weliswaar geen gevaar te vrezen, maar van de minister van Binnenlandse Zaken Jack Straw misschien wel des te meer. Straw is een reformist, die er als Lagerhuislid nooit een geheim van gemaakt heeft met een radicale staatshervorming te sympathiseren. Straws opvattingen zijn niet helemaal dezelfde als die van de sinds kort belijdend-republikeinse Guardian, maar ze gaan toch een eind in dezelfde richting.

Op een conferentie van Charter 88 lanceerde Straw in 1994 een hervormingsplan dat weliswaar de staatsvorm niet aantastte, maar toch neerkwam op de afschaffing van alle nominale koninklijke bevoegdheden, die in de praktijk door de ministers worden uitgeoefend.

Het devies waarmee hij bij Charter 88 veel instemming verwierf was: maak de koningin een kopje kleiner en de ministeriële verantwoordelijkheid een stuk groter. Elizabeth is gewaarschuwd. Straw is het republikeinse paard van Troje in de regering-Blair.