Kan een doel toch middelen heiligen?

Er zullen nog maar weinigen zijn die beweren dat de zogenoemde Ostpolitik van de toenmalige Duitse bondsregering verkeerd was. Wat beoogde die Ostpolitik? Zij streefde ernaar om, uitgaande van de feitelijke toestand in Europa – dat wil zeggen: de verdeling van dit continent in een communistisch en een niet-communistisch gedeelte – toenadering tot de communistische staten, incluis de DDR, te zoeken.

Verandering door toenadering, was het parool van de regering van de sociaal-democraat Willy Brandt, die in 1969 aan de macht was gekomen. Men zou ook kunnen zeggen: verandering van de tweedeling van Europa door deze eerst te aanvaarden. Dit was een breuk met de politiek van de voorgaande, christen-democratische regering, die van een aanvaarding van de status quo in Europa, en met name erkenning van de DDR, niets wilde weten.

Achteraf kan worden vastgesteld dat die Ostpolitik succesrijk is geweest. De normalisatie van de betrekkingen van de Bondsrepubliek met de staten van het Oosten, incluis de DDR, is een fase geweest in het ondermijningsproces waaraan het Sovjetblok al, als gevolg van andere oorzaken, onderhevig was. Inderdaad: zeventien jaar nadat de Bondsrepublik de Ostpolitik tot de hare had gemaakt, stortte dat blok ineen. Een in historisch opzicht korte periode.

Toch is dit alles een dubbeltje op zijn kant geweest. Dat wil zeggen: het Sovjetblok zou, vroeg of laat, toch wel ten onder zijn gegaan aan zijn innerlijke gebreken en tegenstellingen, maar de Duitse Ostpolitik, die dit proces verhaastte, heeft aan een zijden draadje gehangen. De Duitse Bondsdag heeft haar met een meerderheid van slechts twee stemmen in 1972 aanvaard. Was zij verworpen geweest, Brandt zou dan plaats hebben moeten maken voor de christen-democraat Barzel – thans volkomen vergeten – en zijn politiek, die de status quo in Europa verwierp.

Zoals gezegd: weinigen zullen dit resultaat nu nog betreuren, maar dat wil niet zeggen dat het een fraai resultaat was. Immers, die twee stemmen meerderheid zijn verkregen doordat twee christen-democraten in een geheime stemming voor de regering, dus voor de Ostpolitik, hadden gestemd. Ook dat was, hoewel opzienbarend, niet tegen de regels, maar langzamerhand blijkt het bijna zeker te zijn dat die twee stemmen gekocht zijn geweest, en wel door de Oost-Duitse Stasi.

Van een van de twee christen-democraten was dit al geruime tijd bekend. De chef van de Oost-Duitse contraspionage, Markus Wolf, schrijft in zijn memoires dat het christen-democratische Bondsdaglid Julius Steiner 50.000 mark heeft gekregen voor zijn desertie. Maar nu zijn er sterke aanwijzingen opgedoken dat ook de tweede christen-democratische overloper met eenzelfde bedrag door de Stasi beloond is geweest. Het betreft hier een politicus met meer gewicht: Leo Wagner, toenmalig secretaris van de fractie van de CSU (de Beierse zusterpartij van de CDU).

Wagner ontkent en zegt dat dit bedrag de lening van een vriend was. De ware toedracht is juridisch verder niet zo interessant, omdat omkoopbaarheid van Bondsdagleden in 1972, toen zich dit afspeelde (c.q. afgespeeld zou hebben), nog niet strafbaar was en spionage voor de DDR intussen een verjaard vergrijp is. Niettemin heeft Wagner onmiddellijk al zijn partijfuncties neergelegd.

Maar er zit ook wel een andere kant aan deze zaak dan de juridische. In de eerste plaats is er het historische aspect, maar ook dat is niet zo interessant, omdat we het vrijwel voor zeker kunnen houden dat een christen-democratische regering in Bonn, na een zekere tussenperiode, de Ostpolitik van haar sociaal-democratische voorganger zou hebben voortgezet. In 1982 nam Helmut Kohl, bondskanselier geworden, de Ostpolitik van zijn voorganger, de sociaal-democraat Helmut Schmidt, bijna naadloos over. In 1987 ontving hij zelfs Erich Honecker, de baas van de DDR, officieel in Bonn. Nee, het is eerder het morele aspect dat die zaak zo interessant maakt. Hoe moet een verdrag – want de Ostpolitik werd tenslotte in verdragen vastgelegd – gewaardeerd worden dat slechts via de weg van omkoping recht is kunnen worden? Het zou interessant zijn hierover de mening te vernemen van al diegenen die indertijd de Ostpolitik om morele, en niet om realpolitische, redenen steunden. Ethici zijn er genoeg in ons land, al dan niet in professoraal habijt. Wat vinden die ervan? Kan een doel per slot van rekening toch de middelen heiligen?

Deze vraag kan behandeld worden, los van de onloochenbare waarheid dat de geschiedenis niet meer teruggedraaid kan worden; los ook van het even onloochenbare feit dat in 1972 de Stasi een van haar spionnen wist te sluizen in de staf van bondskanselier Brandt, wiens persoonlijke secretaris hij ten slotte werd. Toen dit twee jaar later werd ontdekt, trad Brandt af.

Ja, volgens het bureau-Gauck – het naar zijn eerste directeur genoemde bureau dat de archieven van de Stasi, voorzover van de papiervernietiger gered, beheert – zijn er in de veertig jaar van haar bestaan op z'n minst 20.000 spionnen voor de DDR in de Bondsrepubliek werkzaam geweest. Was de Bondsrepubliek daarom ondermijnd? Zo ja, dan kan een ondermijnde staat blijkbaar toch nog een goede politiek voeren, in dit geval zelfs een politiek die bijgedragen heeft aan de ondermijning van zijn ondermijner.

Een andere vraag is of al die 20.000 of meer spionnen, voorzover nog in leven, opgespoord en alsnog aan de kaak gesteld moeten worden (berechting kan niet meer). Het zou een heksenjacht worden, met verscheurende gevolgen voor de Duitse samenleving. Soms is het wijzer – zij het misschien minder bevredigend voor het rechtsgevoel – er een deken over te leggen, onverschillig of de boosdoeners van toen van links of van rechts komen. Ook dat is, in laatste aanleg, een morele vraag.