Burger is met liberalisme beter af

Wanneer de PvdA naar een samenleving wil waarin de burgers serieus genomen worden, komt zij onvermijdelijk uit bij het liberalisme, menen Klaas Groenveld en Patrick van Schie in een reactie op de discussie binnen de PvdA over een nieuw beginselprogramma.

Wie zijn wij en waar gaan wij heen? Een politieke partij die een beginselprogram opstelt, dient deze vragen te beantwoorden. De formulering van het antwoord kan moeite kosten, maar men dient helder voor ogen te hebben welke kant het op moet gaan.

De sociaal-democratie is in de jaren tachtig in verwarring geraakt, toen zij tot het besef kwam dat haar oude idealen en doctrines te hoog waren gegrepen. In Nederland schudde haar leider in de jaren negentig de ideologische veren af. Om zichzelf te hervinden, stelde de PvdA een beginselprogramcommissie in. Recentelijk zijn de zieleroerselen naar buiten gekomen, niet alleen via het concept-beginselprogram Tussen droom en daad maar ook met een afwijkend geluid van twee leden van de programcommissie, Maarten Hajer en Paul Kalma. Zij verwijten de andere leden van de commissie dat zij niet tot de kern van de sociaal-democratie zijn doorgedrongen. In hun ogen is het de taak van de sociaal-democratie het liberalisme te kritiseren wegens de `gevaren van een overmatig vertrouwen in de markt'. Zij wensen een ,,constructief hervormingsprogramma'', waarmee de PvdA de aanval op het liberalisme kan inzetten (Opiniepagina, 27 november).

Hajer en Kalma tonen ongewild aan dat het liberalisme in ideologisch opzicht weinig van de sociaal-democratie te duchten heeft. Hun artikel geeft blijk van onvrede over maatschappelijke ontwikkelingen, maar nog meer van onvrede over het onvermogen van sociaal-democraten om die ontwikkelingen te sturen. Anders dan de Britse premier Blair, die zijn best doet een liberaal beleid een sociaal-democratische aanschijn te geven, verhullen Hajer en Kalma hun ouderwetse sociaal-democratische aanvechtingen met aan het liberalisme ontleende termen. Van de formulering van een ,,constructief hervormingsprogram'', of zelfs maar de aanzet daartoe, komt het niet.

Het is niet eerzaam om dolende figuren met wapens tegemoet te treden. In plaats daarvan verdient het de voorkeur enkele kronkels in hun redenering te ontwarren.

Hajer en Kalma schrijven aan het liberalisme ,,een overmatig vertrouwen in de markt'' toe. De markt wordt daarbij op klassiek-socialistische manier opgevat als de macht van het grote bedrijfsleven. Dit berust op een misvatting over het wezen van de markt. Liberalen denken niet dat bedrijfsleiders meer wijsheid in pacht hebben dan bureaucraten en politici. De liberale voorkeur voor de markt stoelt op de waarneming dat machtsconcentratie niet leidt tot accumulatie van wijsheid, maar tot inperking van keuzemogelijkheden. Meer markt betekent in beginsel meer vrijheid voor het individu om zelf keuzes te maken. Het gevaar van concentratie van (economische) macht kan niet worden bestreden door die macht in andere handen te leggen, maar uitsluitend door de ruimte te scheppen voor het ontstaan van tegenmachten. De waarde – en de grens – van de marktwerking ligt dan ook in het (kunnen) bestaan van concurrentie. Terwijl een economische ,,vechtcultuur'' voor Hajer en Kalma een schrikbeeld is, is zij voor de burger een zegen. Zo'n cultuur geeft de burger namelijk iets om te kiezen. Daarentegen heeft de burger zich in een economie beheerst door maatschappelijke belangengroeperingen, slechts te schikken.

Zij beschouwen het gelijkheidsideaal als de ,,core business'' van de sociaal-democratie. Wanneer zij dit ideaal vervolgens omschrijven als het streven naar ,,gelijke levenskansen en ontplooiingsmogelijkheden'', tonen zij zich door en door liberaal. Alleen: mensen zijn niet identiek, zoals terecht in `Tussen droom en daad' wordt opgemerkt. Als sociaal-democraten burgers werkelijk gelijke kansen willen bieden, moeten zij dus ook aanvaarden dat daaruit ongelijke verhoudingen in de maatschappij zullen ontstaan. Dat is niet het gevolg van duistere marktkrachten, zoals Hajer en Kalma menen, maar van natuurlijke verschillen tussen mensen. Als sociaal-democraten zover zijn dat zij de mens aanvaarden zoals hij is, moeten zij het streven laten varen om alle achterstanden en ongelijkheden weg te poetsen.

Hajer en Kalma stellen dat liberalen de verzorgingsstaat ,,het liefst verregaand afslanken''. Zij sporen sociaal-democraten aan om zich daar tegen te keren met het concept van de ,,activerende verzorgingsstaat''. Hier dreigen zij lessen die de sociaal-democratie het afgelopen decennium heeft geleerd, weer te vergeten. Een verzorgingsstaat activeert niet, maar maakt passief. Het werk-werk-werk-beleid van paars heeft (geholpen door economische groei) meer mensen geactiveerd dan ooit tevoren. Liberalen wensen de voorzieningen voor mensen die echt niet kunnen werken in stand te houden, maar passen ervoor om opnieuw grote groepen die wel kunnen werken in sociale netten gevangen te houden.

Hajer en Kalma schrijven dat de collectieve uitgaven en de belastingen moeten worden verhoogd om hun vorm van sociaal-democratie mogelijk te maken. Zij plaatsen daarmee een bom onder de Nederlandse welvaartsgroei. Het onvermijdelijke gevolg van zo'n politiek zou immers zijn dat de looneisen worden opgeschroefd, waarmee aan de groei van economie en werkgelegenheid een abrupt einde zou komen. Zij mikken daar kennelijk ook op, zo valt uit hun pleidooi voor grenzen aan de groei af te leiden. Het slachtoffer van die aanval zal niet het liberalisme zijn, maar dezelfde burgers voor wie zij zeggen op te komen.

Hajer en Kalma denken – net als PvdA-fractievoorzitter Melkert – dat problemen in sectoren zoals de zorg en het onderwijs kunnen worden opgelost door extra geld in die sectoren te pompen. Maar als stelsels zijn vastgeroest, is toediening van meer zuurstof niet voldoende. De stelsels zelf zijn aan een grondige revisie toe. Zo zijn de wachtlijsten in de gezondheidszorg het gevolg van volstrekt verouderde allocatie-mechanismen die daar nog in zwang zijn.

Hajer en Kalma zien bezorgd hoe de mondialisering het sturende vermogen van de staat heeft ondermijnd en hopen via de Europese Unie weer tot een maakbare samenleving te komen. Ook hier blijken hun oplossingen het product te zijn van verstard denken. Voor zover staatkundige grenzen hun betekenis verliezen, zijn mondiale ontwikkelingen ook niet door een grotere – Europese – staat te beheersen. Het bestuurlijk antwoord van Hajer en Kalma op de mondialisering gaat precies de verkeerde kant op. In plaats dat zij eindelijk de individuele burger met zijn of haar ontgrensde voorkeuren serieus nemen, willen beide sociaal-democraten de verantwoordelijkheid uitgerekend leggen op de plaats waar de burger – blijkens de opkomstcijfers bij verkiezingen – het verst van af staat. Zij prediken een sociaal-democratie met kansen voor de burgers tot ,,bewuste vormgeving van de eigen leefwereld''. Maar hun oplossing voor de sociaal-democratische identiteitscrisis zal de burgers maken tot gevangenen van bestuurders die zich juist in een heel andere leefwereld bewegen.

De sociaal-democratie is de afgelopen jaren te lang blijven stilstaan. Zij keek vooruit in de richting van liberalisering van de samenleving, naar een samenleving waarin de burgers serieus worden genomen. Als de PvdA die weg wenst in te slaan, komt zij onvermijdelijk bij het liberalisme uit, als interessante partner voor een open dialoog. Als deze weg de sociaal-democraten afschrikt, kunnen zij de aanbeveling van Hajer en Kalma volgen. Met zo'n keuze zetten zij echter geen aanval op het liberalisme in, maar blazen zij in het zicht van het maatschappelijke individualiseringsproces de terugtocht.

Klaas Groenveld en Patrick van Schie zijn directeur respectievelijk wetenschappelijk medewerker van de Teldersstichting, het wetenschappelijk bureau ten behoeve van het liberalisme en de VVD.