Een kwestie van relaties

De voetbaljournalist is meestal een gemankeerde (ex-)voetballer. Hij volgt vanaf de tribune in het stadion met een mengeling van bewondering en jaloezie de bewegingen van de voetballers die de publieke aandacht trekken en praat graag met hen alsof hij hun gelijke is. Liefst onderhoudt hij een intieme relatie met bewierookte voetballers, in de hoop dat hun bedwelmende geur op hem overslaat zodat ook hij wordt bewierookt. Een voetbaljournalist vergeet – gebiologeerd door het aureool boven het hoofd van zijn held – gauw wie en vooral wat hij is.

Vaak is een voetbaljournalist domweg een supporter. Hij koestert zijn eigen land, zijn eigen club en zijn eigen helden. Opvallend is dat steeds meer beoefenaren van deze beroepsmatige hobby zich laten verleiden tot schaamteloze juichkreten wanneer hun land, club of held heeft gescoord dan wel tot tranen van verdriet en verkettering van de tegenstander bij een nederlaag. Hoe ze elkaar na een gewonnen wedstrijd op de schouders slaan en met representanten van hun favoriete ploeg het glas heffen, alsof ze met z'n allen de wereld hebben veroverd het is soms heel aandoenlijk.

Menig voetbaljournalist heult met voetballers, trainers en bestuurders, maar vooral met voorlichters. Hij weet dat bevriend zijn met een voorlichter tot de gewenste informatie of het gewenste interview met zijn helden kan leiden. Daarom gaan veel voetbaljournalisten intiem met voorlichters om en ondernemen veel voorlichters pogingen journalisten mild te stemmen over hun club.

Van voorlichters, en ook van voetballers, trainers en bestuurders, is enigszins te begrijpen dat ze veel doen om een goede verstandhouding te hebben met de voetbaljournalist. Ze zijn gecharmeerd van voetbaljournalisten die niet kritisch zijn, positief over hun club oordelen en doen wat de club wil. Ze willen hun milieu beschermen. Met succes: de meeste voetbaljournalisten zijn volwaardig lid geworden van de voetbalwereld. Omdat ze voetbaljournalist willen zijn en dat altijd willen blijven.

De meeste voetbaljournalisten van nu zijn nauwelijks journalist. De ene voetbaljournalist kraait voor de televisiecamera hysterisch over de victorie van Ajax, wanneer Ajax eens een gewillige tegenstander heeft verslagen, de andere voetbaljournalist wenst niet te schrijven dat Feyenoord, PSV of Oranje zwak hebben gespeeld. Wie moeten we nog geloven, wat moeten we serieus nemen als presentatoren en voetbalanalisten van televisie, radio en populistische dagbladen (ook als journalisten bestempeld) ons huichelachtig vertellen dat er `weer een fantastische wedstrijd' is geweest?

De voetballiefhebber die praat en schrijft over zijn passie voor voetbal, wint terrein. Dat er nog mensen zijn die zich kunnen laten gaan wanneer ze een bewogen wedstrijd, een zeldzame beweging of een fraai doelpunt van wie dan ook hebben mogen beleven, kan een verheugende ontwikkeling zijn. Maar dat zijn geen voetbaljournalisten, dat zijn liefhebbers die er voor uit willen komen dat ze liefhebber zijn en geen journalist.

Het fenomeen voetbaljournalist sterft uit. De neutraal-kritische observatie raakt uit de tijd. Vooral onder druk van de commercie en haar handlangers: de voorlichters – soms gemankeerde (ex-)journalisten. Nog even en zij bepalen wat en hoe becommentarieerd, hoe geschreven en hoe de wedstrijd in beeld gebracht wordt. Wanneer het zover is, is de voetbalwereld een farce geworden, een subcultuur van voetballers, gemankeerde voetballers en gemankeerde journalisten die elkaar in leven proberen te houden. Commercieel voetbal is geen voetbal meer, maar een poot van de amusementsindustrie.