De Vries tussen dromen en waken

De ene droomwereld is de andere niet. Die van Salvatore Sciarrino is schimmig, soms tegen het sentimentele aan, die van Helmut Lachenmann knokig kritisch en juist verre van idyllisch. Klaas de Vries neemt tussen dromen en waken in een middenpositie in. Het begin van zijn Preludium — Interludium — Postludium voor 23 solostrijkers (1997-2000) zaterdag in de Matinee in première gebracht door Nieuw Sinfonietta Amsterdam, is opstandig als een Lachenmann. Het tedere vervolg echter had Sciarrino prachtig gevonden.

Anders gezegd: Sciarrino biedt ons een sepia foto uit de negentiende eeuw, Lachenmann houdt de samenleving een allesbehalve aangename spiegel voor, en De Vries? Van stellingname is geen sprake. De titel Preludium — Interludium — Postludium verduidelijkt dat een verhalend gegeven ontbreekt in een muziek met voor-, tussen- en naspel zonder spel zelf. Inspiratie bood een gedicht uit 1934 van de Portugees Fernando Pessoa: `Aan de vooravond van nooit vertrekken, (—) kijkend naar de koffers, starend naar het niets.'

Een gedicht als een omgekeerde buitenkant. Binnen is het leeg, het leven is niets. Bij Sciarrino was het eens wel degelijk iets, en bij Lachenmann moeten wij er tegenaan om er iets van te maken. Pessoa en De Vries berusten: schenk nog maar wat wijn in, schrijft de dichter.

Laten we luisteren naar serene flarden zoals van De Vries. Twee componisten spelen in het Preludium nog een rol. Niet voor niets ging Beethovens Grosse Fuge in sterk aangezette contrasten vooraf, want De Vries begint al even roekeloos en bars brutaal in een pittig presto. Het vervolg klapt om in een zacht rondtollende toccata, ontleend aan Bachs Derde vioolpartita. Niet meer dan een binnenkantrandje, want opeens is het weg. Nuchter beschouwd een afknapper. Je moet over een bijzonder gevoelige antenne beschikken om mee te gaan in het idee dat een voortzetting wordt overgelaten aan de fantasie van de luisteraar. Even ga je er recht voor zitten, en hop is het weg!

Na het Interludium, dat al eens in 1997 werd uitgevoerd, neemt het Postludium de draad weer op. Het begin van deel drie refereert aan het eind van deel twee. Overigens in een meer verstrooid zoekende zin dan onheilspellend, want poëzie dempt elke vorm van agressie, als barsten die niet verder openbreken. Het mooist is het flautando slot. Dáár is geen extra gevoelige antenne voor nodig.

Na de pauze dirigeerde Peter Oundjian Mozarts Symfonie in C `Jupiter' eerder gespierd dan gracieus, alsof Beethoven nog nawerkte. Harnoncourt had het mooi gevonden. Ik overdacht dat je uit Mozarts drie laatste symfonieën, die duidelijk een geheel vormen, ook zo'n voor-, tussen- en naspel zou kunnen samenstellen. Eerst de inleiding van de Symfonie in Es (die bij de andere twee ontbreekt), dan het langere Andante uit de Symfonie in g (ook bij De Vries is het middendeel het meest essentieel) en ten slotte de coda uit de `Jupiter' die weer bij de twee andere symfonieën ontbreekt. Zou iemand in staat zijn de rest erbij te dromen? Vroeg De Vries misschien niet te veel van zijn publiek?

Concert: Nieuw Sinfonietta Amsterdam o.l.v. Peter Oundjian. Gehoord 9/12 Concertgebouw Amsterdam. Tv: Ned 3 24/12 13 uur.