De koninklijke smaak van een ware liefhebber

Op uitnodiging van directeur Rudi Fuchs maakte koningin Beatrix als gastconservator een tentoonstelling van werken uit de collectie van het Stedelijk. Alle kunstwerken zijn door haar zelf uitgekozen en de koningin heeft de expositie zelf, in samenwerking met Fuchs, ingericht. Het werd een overzicht van naoorlogse Nederlandse kunst, met 350 werken van ruim 120 kunstenaars. De tentoonstelling geeft een tamelijk ouderwets en braaf beeld van de Nederlandse kunst. Dit komt mede doordat de koningin geen video en andere nieuwe media, geen installaties en (op een hoogst enkele uitzondering na) geen fotografie laat zien; dit zijn kunstuitingen waarmee zij weinig affiniteit heeft.

Toch spreekt uit het geheel een grote betrokkenheid met de moderne Nederlandse kunst. Zij haalde werken uit de depots die we zelden of nooit te zien krijgen, zoals een zeer mooie tekening van Eugène Brands uit 1948, getiteld Sterrenhemel, een groot reliëf van Schoonhoven uit 1975 of een prachtig wandkleed van plastic, getiteld Golf, van Madeleine Bosscher uit 1971. Het is duidelijk dat de koningin een persoonlijke, directe band heeft met de beeldende kunst. Zij respecteert het kunstwerk als zelfstandig gegeven, waarmee haar tentoonstelling zich onmiddellijk positief onderscheidt van die van de twee gastconservatoren die haar in het Stedelijk voor gingen, Gerrit Komrij en Harry Mulisch, die kunstwerken reduceerden tot een plaatje bij een praatje.

De koningin richtte het museum in als ware het haar paleis. De kamers en zalen, waarvan er een aantal door haar werden voorzien van gekleurde wanden variërend van lichtgrijs tot lavendelblauw en een donker okergeel, kregen van haar ieder een functie en karakter, zoals een audiëntiezaal, een rookkamer, een balzaal en een roze boudoir; de slaapkamer is de enige kamer die ontbreekt. Beatrix heeft bij het inrichten vrijelijk geassocieerd, nu eens thematisch, dan weer met kleur of motief. Soms ontstonden hiermee interessante ensembles, met name in de `Familiegalerij' waar, in kleine kabinetten, tal van portretten,van Herman Gordijn tot Emo Verkerk, bijeen zijn gebracht.

Het vrije associëren leidde ook tot minder gelukkige combinaties. De Rozevingerige Dageraad met zijn ijle roze en gele tinten, een topwerk van Willem de Kooning, verdrinkt in het geel van de `Gele Salon'. Het heeft bovendien iets onbenulligs om werken op kleur bij elkaar te kiezen, zoals een rood schilderij van Pieter Holstein, bouten van Armando op een rood fond, en een Appel met rood erin – werken die in de verste verte niets met elkaar te maken hebben. Hetzelfde geldt voor het bijeenhangen van kunstwerken omdat er bijvoorbeeld vierkantjes of rasters in zitten, of omdat er een kromming in voorkomt. En in het algemeen hangt er te veel en te dicht op elkaar, met name in de erezaal. Hier is een lange rij van expressionistische schilderijen, rommelig aangelijnd, zo vlak naast elkaar (Appel, De Kooning, Constant, Benner en anderen) gehangen dat het onmogelijk is om ze echt te bekijken. Ook voor de sculpturen geldt dat ze zijn neergezet als versieringen en als hebbedingetjes die geen eigen ruimte innemen.

Beatrix heeft een voorkeur voor kunst met een directe schriftuur, een expressiviteit die nabijheid, intimiteit suggereert, zoals de bronzen sculpturen van Charlotte van Pallandt en van Shinkichi Tajiri, de tekeningen van Piet Ouborg of de schilderijen van Karel Appel. Dit moet er de oorzaak van zijn dat belangrijke kunstenaars als Daan van Golden en Stanley Brouwn opvallend afwezig zijn.

Beeldende kunst is voor koningin Beatrix iets om van te genieten, en nooit iets conflictueus. Zij zoekt niet naar, of vermijdt zelfs, de scherpte van een beeld of van een oeuvre. Het witte werk van de Zeroïst Jan Schoonhoven waardeert zij om de schoonheid van de herhaling, van de handmatigheid, en van het spel met het licht; maar andere aspecten van zijn werk die zeker even belangrijk zijn, gaan door de manier waarop zij het presenteert verloren, zoals strengheid, ascese, monomanie, hardheid.

De tentoonstelling van Beatrix is de tentoonstelling van een amateur in de beste zin van het woord, van een oprechte liefhebber. Het mooist zichtbaar wordt dit in een rustig, klein `Kunstkabinet' waar zij haar favorieten toont: reliëfs van Schoonhoven en van Ad Dekkers, Perspectiefcorrecties van Jan Dibbets, een vroeg computerwerk van Peter Struycken, twee kleine schilderijen van Co Westerik – een fraaie selectie van wat je typisch Hollandse kunst zou kunnen noemen.

Het belangrijkste gegeven van de Voorstelling van koningin Beatrix is dat dit overzicht van Nederlandse kunst, dat zij met zoveel liefdevolle aandacht heeft gemaakt, een voorbeeldfunctie heeft voor het publiek. Door haar eminente positie sanctioneert zij kunst die voor veel mensen moeilijk toegankelijk is en stimuleert zij hen wellicht om deze kunst toch serieus te nemen. Daarmee breekt zij ook een lans voor het grote belang van de autonomie van de beeldende kunstenaar.

Tentoonstelling: `De Voorstelling, Nederlandse kunst in het Stedelijk Paleis'. Overzicht van Nederlandse kunst, samengesteld door koningin Beatrix, in het Stedelijk Museum, Paulus Potterstraat 13, Amsterdam.

T/m 4 februari. Mazo 11-17 uur. Catalogus, met interview met de koningin, 160 blz., ƒ59,90.