Cor Fuhler kan het publiek tarten

`Jullie kunnen het wel!' riep zaterdag iemand in het BIMhuis, toen er vlak voor de pauze eindelijk een duidelijke deun opdook. Het was een begrijpelijke reactie, want als er iets is dat componist Cor Fuhler goed kan dan is het het uitstellen van genot door wat de volksmond `pielen' noemt. Tergend lang noten laten `liggen', het liefst heel hoog en vlak bij elkaar, Fuhler is er gek op, als voorspel tot concretere passages. Met behulp van twee klarinetten en een piccolo plus daarbij nog een zingende zaag en een bekken dat door een strijkstok wordt gestreeld creëert hij een minimale klankwolk die onbereikbaar hoog blijft hangen. Het publiek schuift ongemakkelijk op de stoelen; is dit verfoeilijk kattengejank of hoogverheven minimal music?

Als reactie volgt er soms een muur van geluid, je hebt niet voor niets drie slagwerkers bij je, maar meestal draait het uit op mezzo forte: een monter voortkleppend ostinato met een hoog Sun Ra-gehalte. Het melodisch materiaal is uiterst summier, de blazers houden zich duidelijk in. Het zijn de drie percussionisten Steve Heather, Alan Purves en Michael Vatcher, die Fuhlers riedels mogen versieren en dat ook naar hartelust doen.

Voor imposante dynamische contrasten en halsbrekende toeren van technische aard is men bij Fuhler aan het verkeerde adres. Het zijn eerder minieme verschuivingen in de continuïteit en kleine verstoringen van de balans waar zijn muziek het van moet hebben. Dat de componist en toetsenspeler zich behalve met allerlei improvisatiemuziek al jaren bezig houdt met de Indonesische gamelan, kan bij dit alles geen toeval zijn. Cor Fuhler maakt geen eeuwigheidsmuziek want die is er al genoeg. Hij sleutelt als een klokkenmaker met een beroepstic: ach wat aardig, dit oude beestje heeft de hik.

Concert: Corkestra o.l.v. Cor Fuhler. Gehoord: 9/12 BIMhuis, Amsterdam.

    • Frans van Leeuwen