Blind chauvinisme

Zodra ik een politicus op een sporttribune zie ploffen, slaat mijn hart op hol. Maak dat je weg komt, schreeuw ik door de glazen tv-buis. Meestal tevergeefs. Mijn motto: wantrouw de politicus met zijn geafficheerde en vaak conjuncturele liefde voor zweet en vaderland. Daar valt niets goeds van te verwachten. De politicus die als een dwaas bij een doelpunt staat te juichen, ruikt snel naar de rokerige verkiezingszaaltjes in de Achterhoek. Laat een Janmaat zich met voetbal bemoeien en voordat je het weet, heb je met een golf van etnische zuivering te maken binnen de nationale ploeg. Het enige raakvlak dat sport en politiek hebben, is van financiële aard, zeker niet van emotionele. Zo moest ik bijna kokhalzen toen ik twee jaar geleden de Franse president Chirac, met een supporterssjaal om zijn nek, bij het eerste doelpunt van Zidane tijdens de WK-finale Frankrijk-Brazilië als een bezetene zag springen. Alsof hij door een overdaad aan chauvinistische gesticulaties een volgende onderzoek over omkopingspraktijken kon ontlopen. Naast hem zat aartsvijand premier Jospin onbeholpen te wapperen met zijn handen. Je zag hem denken: `Mag ik hoger dan de president springen en hoeveel stemmen brengt dat op?' Maar het ergste moest nog komen toen Chirac het ritueel van de Franse verdediger Blanc wilde na-apen door een vette kus op de kale schedel van doelman Barthez te deponeren. Alsof de paus, schaars gekleed in een string, om rohypnol op de Wallen stond te bedelen.

Op mijn netvliezen staan nog meer beelden gebrand. Bijvoorbeeld die van een bijna voltallig kabinet getooid met afgrijselijke, knal oranje stropdassen. Het was een junimiddag in 1988 in München. Toen Oranje door een 2-0 zege op de Sovjet-Unie Europees kampioen werd en de tribunes op moest, zaten al die stropdassen onbeschaamd te swingen met in hun midden een volkomen doorgeschoten staatssecretaris Dees. Hemd uit de broek, hossend en brallend.

In de aanloop naar die finale waren de chauvinistische uitspattingen van politici niet van de lucht. Na afloop van de gewonnen halve finale tegen West-Duitsland stond de hele Tweede Kamer te polonaisen en te zingen: ,,Ah, wat zijn die moffen stil.'' En aan de vooravond van de finale tegen de Sovjets liet het ministerie van Defensie een anticommunistische advertentie in deze krant plaatsen: `De 28.000 werknemers van het ministerie van Defensie hebben een onwankelbaar vertrouwen in de verdediging van Oranje. Ze weten wat verdedigen betekent. Wat hen betreft komen de Russen er morgenmiddag niet door.'

Van Wim Kok had ik eerlijk gezegd geen chauvinistische uitspattingen verwacht. Hooguit een zuchtje van opluchting bij een verlossend doelpunt op tv alvorens in zijn dossiers te duiken. Maar afgelopen weekeinde was de saaie terreinknecht plots in een wilde hooligan met ijzeren staf en werpster veranderd. Op de Europese top in Nice leek het of er een oergemeen Nederland-België met Wouters en Van Moer aan de gang was. Kok schuimbekte: Oranje is groter, zelfs middelgroter dan België en moet in de EU een halve stem meer krijgen. Om België te verslaan was de destructieve Kok bereid het broze evenwicht van de Europese Unie op te blazen. De Belgen keken beduusd: waar kwam die acute aanval van Hollands chauvinisme vandaan? Waarom toch de plezante zuiderburen willen vernederen en schofferen? Waarom die obsessionele anti-Belgische razernij? België heeft toch samen met Nederland de EK broederlijk georganiseerd? De verhouding in olympische medailles staat na Sydney op 25-5 onbetwist in het voordeel van Nederland. En de laatste keer dat Oranje door België in de voorrondes van een WK is uitgeschakeld dateert uit 1985. Met dank aan Grün. En dan slaat me de schrik om het hart. Zou het toch zo kunnen zijn? Zou het mogelijk zijn dat deze explosie van blind nationalisme in de Nederlandse politiek helemaal niets met sport te maken heeft?

    • Sylvain Ephimenco