Vrijgezellenland (2)

In Vrijgezellenland stoppen de mensen op hun 50ste met werken en genieten daarna veertig jaar van hun rust. De banken geven er 3 procent spaarrente, de enige beleggingsvorm. De staat heft er geen belasting. Om het zo lang uit te kunnen zingen en alles op te maken, is een startkapitaal van 23 gulden voldoende voor één gulden inkomen per jaar. En 230.000 gulden genereert 10.000 gulden jaarinkomen, enzovoort. Inflatie kennen deze alleengaanden niet.

In ons land liggen de zaken anders. Neem de heffing van 1,2 procent in box 3. Die dwingt tot een rente van minstens 4,2 procent om de voornoemde 3 procent over te houden. Dat is haalbaar, want een rente van 4,5 procent is dezer dagen geen uitzondering meer.

Dan die inflatie hè. Die compenseer je desgewenst met een hoger percentage. Maar hoeveel? De inflatie fluctueert immers. In Japan kennen ze al een jaar of tien amper inflatie en een zeer lage rente. In Turkije zijn de inflatie en de rente hoger dan bij ons. Daar spelen enkele Turkse banken op in, door hier geld te lenen en het daar voor meer uit te zetten.

Er bestaat dus een relatie tussen inflatie en rente, en ook tussen inflatie en het koerspeil van de aandelen. Om de inflatie bij te houden, kan je kiezen voor een compensatie die bijvoorbeeld voor de helft bestaat uit een opslag (1,5 procent) en voor de andere helft uit het vertrouwen op de markt, die vanzelf zorgt voor meer rente en/of hogere koersen.

Zo reken je met 3 procent inflatie (1,5 + 1,5) en komt de benodigde spaarrente op 5,7 procent; 3 + 1,2 + 1,5 (opslag). Die 5,7 procent is krap haalbaar door je geld voor jaren vast te zetten, waardoor de rente niet vanzelf op kan lopen met de inflatie. Een mogelijk nadeel bij een voordeel.

In theorie is die 5,7 procent bruto, na aftrek van de heffing en de inflatie-opslag, niet meer dan de 3 procent netto in Vrijgezellenland. In de praktijk valt het mee: die opslag ben je niet helemaal kwijt aan hogere uitgaven, maar de jaarlijkse 1,2 procent belastingheffing wel.

Een voorlopige conclusie. Een Nederlandse vrijgezel die op zijn 50ste wil stoppen, denkt 90 te worden, geen AOW of andere inkomsten geniet, moet voor een netto jaarinkomen van 100 duizend gulden met 2,3 miljoen beginnen, tegen 5,7 procent. Wie langer doorwerkt, voor z'n 90ste denkt te overlijden en minder uitgeeft, komt met een miljoen aan spaargeld niet van de honger om.

Door de AOW kan het beginkapitaal met 210.000 gulden naar beneden. We stellen de alleenstaanden-AOW op 19.000 gulden netto per jaar, tussen 65 en 90 jaar. De contante waarde (cw) op 65 jaar tegen 3 procent bedraagt 17,41 gulden per gulden uitkering, en bijna 331.000 gulden in totaal. Op 50 jaar is de cw van die 331.000 circa 210.000 gulden, zonder te rekenen met het sterfterisico. Dit is geen actuariële berekening.

Aanvullende pensioenen (bijvoorbeeld uit koopsompolissen) drukken de beginsom verder omlaag. Voor de eerste bruto 22.000 gulden (in de nieuwe laagste belastingtarieven voor 65-plussers) ook ongeveer 210.000 gulden. Van het pensioen boven die grens blijft netto minder over, omdat het (ten dele) in het 42 procent tarief valt. Ruwweg bedraagt de levensreserve voor de 50-jarige, met AOW en pensioen en een ton per jaar netto, zo'n 1,9 miljoen gulden.

De cw van de twee genoemde uitkeringen (duur 25 jaar) bedraagt op 65 jaar circa 660.000 gulden. Wie het dubbele wil, netto, moet zelf zorgen voor een inteerreserve van 660.000 gulden en die tegen 5,7 procent wegzetten.

Bent u er nog? Rekenen: je moet je hoofd er bij houden. Soms moet je even door het donker om het licht te zien. Lezers willen graag weten hoeveel ze moeten hebben om van te leven. Dit zijn de basale rekenregels. Een ieder moet die zelf toepassen voor zijn of haar financiële wensen.

Tot dusver gaan we uit van sparen tegen minimaal 5,7 procent. Maar lukt het om dat percentage veertig jaar lang te halen? Stel je voor dat we in de eurozone Japanse jaren krijgen. Daarom kan je misschien beter investeren in het wereldwijde bedrijfsleven door deel te nemen in een beleggingsfonds. Mogelijk gaat die 3 procent netto spaarrente dan naar 6 procent netto koerswinst plus dividend, waardoor je met minder toe kan.

Een kapitaal van 15,04 gulden volstaat dan voor veertig jaar lang één gulden per jaar, en 150.000 gulden voor 10.000 gulden jaarinkomen, netto en beschermd tegen inflatie, enigszins. Gerekend vanaf 65 jaar, tot je 90ste, vraagt 10.000 gulden jaarinkomen circa 127.000 gulden aan reserve. Op deze manier kan je globaal je (over)levensreserve berekenen.