Uniforme rechtspraak is geen panacee

De burger in de rechtszaal ziet alleen de rechter zitten. Maar achter deze magistraat gaat steeds vaker een overlegorgaan schuil, dat buiten beeld blijft maar wel allerlei `beleidsregels' stelt. De vraag is of dit een goede zaak is vanuit het oogpunt van rechtseenheid of juist een gevaar voor de rechterlijke onafhankelijkheid, meent F.Kuitenbrouwer.

De burger denkt dat hij maatwerk krijgt van een rechter maar het is steeds vaker confectie. Bekende voorbeelden zijn de min of meer vaste tarieven voor de rekensommen bij alimentatie of de vergoeding bij ontslag. Maar er is ook een systeem van `oriëntatiepunten' in de maak voor de strafmaat voor bepaalde delicten. Er bestaan landelijke rechterlijke afspraken over wie voor schuldsanering in aanmerking komt, om nog maar te zwijgen van het intensieve overleg en de afstemming tussen de vreemdelingenkamers die onder meer beslissen over asielaanvragen.

Achter de rechterlijke toga's heeft zich de afgelopen jaren een omvangrijk overlegnetwerk ontwikkeld: intern en extern, verticaal en horizontaal. De kenners hebben zelfs er een mooie soortnaam voor bedacht:`collectieve rechterlijke regels' (CRR), zo werd verteld op de conferentie `Rechterlijke samenwerking' van de Leidse universiteit die vanuit het E.M. Meijersinstituut is begonnen met een speciaal onderzoeksprogramma naar dit verschijnsel. Minister Korthals (Justitie) vindt het in elk geval een mooie ontwikkeling. Hij stelt de komende, ingrijpende herziening van de rechterlijke organisatie nadrukkelijk in het teken van de `uniformering van rechtstoepassing'. Dit wordt een taak voor de nieuwe raad voor de rechtsspraak en de gerechtsbesturen.

Wat kan daar tegen zijn? Het is toch moeilijk te verkopen dat een dronken automobilist in Almelo een andere straf krijgt dan in Middelburg? Zo eenvoudig ligt het echter niet. Om te beginnen is het het niet duidelijk wat de precieze betekenis – en dus bindende kracht – van zo'n CRR is. Is het een richtlijn voor de rechter in de concrete zaak (zoals bij faillissement) of zelfs een norm (zoals bij alimentatie) of slechts een vorm van `vakinhoudelijk overleg'? Deze mistige status wordt helemaal lastig wanneer afspraken – zoals voorkomt – niet aan de balie bekend worden gemaakt maar wel aan andere professionals zoals het openbaar ministerie en de fiscus.

Illustratief is een recente ervaring van prof. H.J.Snijders die voor de Nederlandse Jurisprudentie een commentaar verzorgde bij een uitspraak van de Hoge Raad over een omstreden partij Ajax-sjaals. In dit geschil was sprake van afspraken van het overleg van rechtbankpresidenten over de kort gedingpraktijk – een niet-onbelangrijke tak van sport in de hedendaagse rechtspleging. Het kostte hem `de grootste moeite' deze afspraak te achterhalen. Hij trof hem tenslotte aan in een bijlage bij een syllabus, maar stelt terecht de vraag: hoe moet het dan met rechtshulpverleners en rechtszoekenden?

Een tweede probleem is hoe zo'n CRR eigenlijk tot stand komt. Voor die vraag komt men terecht bij summiere afkortingen als RECOFA (rechters-commisarissen in faillissementen) of LOVS (landelijk overleg voorzitters van strafkamers) of de CRC-vergadering van coördinerende onderzoeksrechters in strafzaken. Allemaal namen die men tevergeefs zal zoeken in de Wet op de rechterlijke organisatie van dit land. Het zijn ook niet gremia die hun agenda en notulen aan de grote klok hangen. Zij ontnemen belangengroeperingen de mogelijkheid hun opvattingen onder de aandacht van de rechterlijke beleidsmakers te brengen. Dat staat op gespannen voet met de elementaire eisen van `pseudo-wetgeving'. En daar gaat het hier om.

Er is een meer fundamenteel bezwaar tegen de schichtigheid van de rechterlijke macht over de nieuwe afspraakcultuur. Samenwerking achter de toga verhoudt zich moeilijk tot de aloude opdracht van de rechtspraak `ieder het zijne te geven'. Daarbij staat het unieke van iedere zaak voorop en niet het uniforme. Voor de rechter mag het routine zijn, maar dat is het niet vanzelfsprekend voor de rechtszoekende. Sterker nog, de vraag is of de aanwezigheid van een onbestemd overlegorgaan achter de rechters die de concrete zaak behandelen niet afdoet aan het grondwettelijk beginsel dat de burger niet van zijn rechter mag worden afgetrokken. Dat geldt helemaal als rechters in eerste aanleg om een tafel gaan zitten met rechters die beroepen tegen hun beslissingen behandelen.

Lastig is ook de vraag of de collectieve rechtersregels wel vallen te verenigen met de grondwettelijk gegarandeerde onafhankelijkheid van de rechtspraak. Er wordt wel gesteld dat dit principe slechts een waarborg is tegen inmenging van andere (staats)organen met de rechtspraak, zodat de individuele rechter er intern geen beroep op kan doen. Maar dat is te kort door de bocht, zoals de vroegere president van de Hoge Raad, H.E. Ras, bij zijn afscheid in 1989 waarschuwde. Hij typeerde rechterlijke onafhankelijkheid als een `persoonlijke houding'. Individueel dus.

Er zijn natuurlijk ook valide redenen voor de trend van samenwerking en afstemming, met name de grote aantallen zaken op sommige rechtsgebieden. Minister Korthals spitst zijn accent op uniformiteit niet voor niets toe op een `veelvoud van zaken'. Deze stelt inderdaad grenzen aan zelfs de meest persoonlijke attitude van de rechters die ze moeten behandelen.

Voor dit reële probleem is echter al een oplossing voorhanden: hoger beroep en cassatie. De beroepsmogelijkheden doen recht aan de forumfunctie van de rechtspraak. Deze kan structureel worden versterkt door in testcases naar Amerikaans voorbeeld te voorzien in behandeling door het desbetreffende gerecht in een brede samenstelling en door het toelaten van zogeheten `vrienden van het hof' (vertegenwoordigers van geïnteresseerde belangengroepen).

In laatste instantie komt dit neer op de richtinggevende rol van de Hoge Raad. Deze heeft het op een belangrijk gebied als de controle op de straftoemeting tot dusver opmerkelijk laten afweten. Er is nog heel wat te winnen aan de `gezamelijke visie' die prof. A.F.M. Brenninkmeijer tijdens de Leidse conferentie als doelstelling poneerde. Is dat laatste overigens werkelijk de bedoeling van rechtspraak? Een ervaren rechtbankpresident typeert het rechtersvak in de wandelgangen graag als survival of the fittest. Typerend daarvoor is dat strijdige uitspraken inherent goed zijn. Evolutie is per definitie niet een van meet af aan gestroomlijnd proces.

F. Kuitenbrouwer is redacteur van NRC Handelsblad.