Tolerantie past bij identiteit

Na het debat over het multiculturele drama, is het tijd voor daden. Hoe maakt Nederland werk van de integratie van minderheden? Om de drie weken maken Ahmed Aboutaleb, directeur van het instituut voor Multiculturele ontwikkeling Forum en Roger van Boxtel, minister voor Grote Steden en Integratiebeleid door middel van brieven aan elkaar de balans op. Vandaag de laatste briefwisseling. De discussie wordt met ingang van het nieuwe jaar voortgezet door middel van een zogeheten estafette-column waarbij `nieuwe Nederlanders' de gelegenheid krijgen zich uit te spreken.

Geachte heer Aboutaleb,

Tulpen, molens en klompen. Maar ook: ruimdenkend, stabiel en tolerant. Dat zijn beelden die men in het buitenland kennelijk heeft van Nederland. Een beetje saai, nogal degelijk en ook prettig in de omgang, het tegendeel van krampachtig en navelstaarderig. Ik heb daar niet zo'n moeite mee.

Ook onze nieuwe landgenoten zijn positief over de sfeer in ons land; hoe vaak hoor je mensen van Turkse of Marokkaanse afkomst niet zeggen dat het leven in Nederland best goed is. Zeker als ze de vergelijking trekken met de verhalen die ze horen van hun verwanten in andere landen. Als onze samenleving op haar best is, gaat het er niet meer om waar je vandaan komt, maar wat je waard bent.

Wel wil ik vanuit het integratiebeleid ook vraagtekens zetten bij `ruimdenkend, stabiel en tolerant'. Hoe vaak hoor ik autochtonen niet klagen over hoofddoekjes? Is dat tolerant? Hoe vaak hoor ik ook autochtonen niet zeggen dat moslimscholen eigenlijk niet mogen, terwijl het recht op eigen scholen is vastgelegd in de Grondwet? Of was er niet laatst een moslimgeleerde die het over het slaan van de vrouw had? Of jongeren die bij voorbaat een partner afwijzen die geen geloofsgenoot is?

Je zou de vraag kunnen stellen of identiteit en tolerantie niet sterk met elkaar verbonden zijn, met name of de mate van tolerantie van een gemeenschap van invloed is op de ontwikkeling van de identiteit van de burgers.

In `Witte tanden' van Zadie Smith las ik onlangs over de Bengaalse moslim Samad, die na zijn immigratie naar Engeland op een gegeven ogenblik in gewetensnood komt en dat wijt aan de Engelse mentaliteit: ,,als het eenmaal in je zit gaat het er nooit meer uit''. Dit verscheurde gevoel wenst hij zijn beide zoons niet toe, hij wil dat zij als goede moslims opgroeien in een land met de veiligheid van de eigen wortels. Bovenal gaat het hem erom zijn zonen te behoeden voor het hellevuur. Zonder zijn vrouw in het ingrijpende besluit te kennen, neemt Samad het besluit om de negenjarige Magid terug naar Bangladesh te sturen. Omdat hij geen geld heeft voor de reis voor beide zoons, blijft zijn andere zoon Millat bij hem achter in Engeland. Echter, anders dan hij verwacht had, is het juist Magid die zich heel Westers ontwikkelt – hij vouwt zijn onderbroeken op dezelfde manier als David Niven gedaan zou hebben. Dit in tegenstelling tot Millat, die juist een moslimfundamentalist wordt.

Toen ik dit verhaal las, begon ik me af te vragen wat nu de identiteit van mensen bepaalt: is dat de etnische, culturele of godsdienstige afkomst, of de opvoeding en het al of niet tolerant zijn van de omgeving? Het is heel goed mogelijk dat Magid zo Westers wordt juist omdat hij in Bangladesh gezien wordt als migrant en zich daar tegen af wil zetten, een eigen identiteit wil ontwikkelen.

Als minister behoor ik mij natuurlijk te onthouden van oordelen over de inhoudelijke geloofszaken. Ik moet en wil er wel terdege rekening mee houden, want godsdienst en levensovertuiging hebben een grote invloed op het integratieproces. En omgekeerd reken ik er op dat de integratie ook een beweging tot stand brengt in levensbeschouwelijke opvattingen. Een star en statisch vasthouden aan een wereldbeschouwing frustreert dat proces en verzet zich tegen de dynamiek die een moderne samenleving eigen is.

De huidige Ramadantijd en ook de weken vóór Kerstmis zijn periodes van bezinning. Ook over de plaats die we met onze diepste overtuigingen in de samenleving innemen. Tulpen en klompen hoeven voor mij niet per se – al heb ik er zeker niets op tegen –, maar ieder die deel uitmaakt van onze samenleving toont zich, hoop ik, ruimdenkend en tolerant.

Mijnheer Aboutaleb, dit is mijn laatste brief. Althans, in déze briefwisseling. Als altijd zie ik uit naar uw reactie. De afgelopen maanden hebben we via deze kolommen ideeën uitgewisseld over het integratiebeleid. Maar daar is nog lang niet alles mee gezegd. Niet door ons, en niet door anderen. Want het integratiedebat is een universeel debat. Daar kan niet zomaar een punt achter gezet worden.

Met vriendelijke groet, Roger van Boxtel