Tolerantie door opvoeding

Na het debat over het multiculturele drama, is het tijd voor daden. Hoe maakt Nederland werk van de integratie van minderheden? Om de drie weken maken Ahmed Aboutaleb, directeur van het instituut voor Multiculturele ontwikkeling Forum en Roger van Boxtel, minister voor Grote Steden en Integratiebeleid door middel van brieven aan elkaar de balans op. Vandaag de laatste briefwisseling. De discussie wordt met ingang van het nieuwe jaar voortgezet door middel van een zogeheten estafette-column waarbij `nieuwe Nederlanders' de gelegenheid krijgen zich uit te spreken.

Geachte heer van Boxtel,

Voordat ik met het beantwoorden van uw brief begin, sta ik nog even stil bij uw vorige brief. Daarin vroeg u mij wat ik zou vinden van het idee om het verstrekken van het Nederlanderschap aan migranten – net als in Canada – gepaard te laten gaan met een ceremonie waarbij de Nederlandse vlag en het zingen van het Wilhelmus centraal zouden staan. Ik ken het Canadese gebruik, maar acht het voor het calvinistische Nederland niet in zijn geheel bruikbaar. Persoonlijk zie ik meer in een ceremonie waarbij de burgemeester de nieuwe Nederlanders op een leuke manier ontvangt, toespreekt en hen wijst op de rechten en plichten die met het Nederlanderschap samenhangen. Tegelijkertijd overhandigt hij/zij het bijbehorende besluit. Het op een sobere manier markeren van een belangrijk moment in het leven van mensen past de Nederlanders veel beter dan het Canadese vlagvertoon.

In uw brief van vandaag snijdt u een interessant discussiepunt aan over de relatie tussen geloof, integratie en tolerantie. Zeker, de gemeenschappelijkheid in onze maatschappij zijn de fundamentele waarden en normen die zijn vastgelegd in de Grondwet. Echter, het normeren van fundamentele vrijheden, rechten en plichten in de Grondwet is onvoldoende. Zeker even belangrijk in een samenleving is de wijze waarop mensen elkaar bejegenen. Zo word ik – ook na een kwart eeuw burger te zijn van dit land – af en toe geconfronteerd met houdingen van autochtonen die een ongezonde vorm van superioriteit uitstralen. Neem afgelopen zaterdag. Ik stond langs het hockeyveld van de Rijswijkse Hockeyclub. Op verzoek van een Marokkaanse speler werd de wedstrijd even stilgelegd, omdat de jongen klaagde over een uitspraak van een tegenspeler. Het jongetje riep: ,,zullen we deze Turk eens even hakken''. De scheidsrechter sprak de `dader' vermanend toe en ging over tot de orde van de dag. Je zou mogen verwachten dat de begeleider van de `dader' na afloop de twee jongetjes met elkaar in contact zou brengen. Toen dat niet gebeurde, greep ik in. Het `slachtoffertje' is namelijk mijn zoon. Hij is de enige allochtoon in zijn team en maakt soortgelijke verwensingen met enige regelmaat mee. De coach van de `dader' bleek niet corrigerend op te treden. Het zijn juist dergelijke momenten in het leven van veel allochtonen die hen doen afvragen: hoor ik er wel bij? Mijn zoon weet niet beter. Hij is geboren in Nederland, krijgt een Nederlandse opvoeding met een islamitisch randje, ontvangt bijna dagelijks Nederlandse vriendjes, maar wordt er met enige regelmaat aan herinnerd dat hij geen Nederlander is. Dat is pijnlijk. Ik begrijp dan ook heel goed dat allochtonen op een gegeven moment zich terugtrekken in de veilige eigen kring. Daar vindt men lotgenoten. Het is een manier om pijnlijke confrontaties met het superioriteitsdenken te omzeilen. Ze vallen terug op oude vertrouwde bindende factoren, zoals religie.

Waarmee ik wil zeggen dat grondwettelijke waarborgen als ordeningsmechanismen op het hoogste abstractieniveau een zekere gemeenschappelijkheid garanderen, maar dat deze in de weerbarstige praktijk van alle dag onvoldoende zijn om tolerantie te bewerkstelligen. Tolerantie is een zaak van opvoeding en kan alleen geleidelijk bij jonge kinderen worden `geplant'. En zoals met alle planten, de vruchten komen veel later. Daarom moeten we bij samenlevingsvraagstukken vooral veel geduld hebben. Politieke besluitvorming op zichzelf heeft weinig invloed op het arsenaal aan denkbeelden dat mensen tussen de oren hebben. Opvoeders hebben dat wel, mits ze op tijd beginnen.

Tot slot wil ik u bedanken voor de openhartigheid waarmee u aan deze openbare correspondentie heeft deelgenomen. Op deze plaats zal NRC Handelsblad een estafettecolumn plaatsen waarvoor ik graag de heer M. Achkar, voorzitter van de studentenbeweging TANS (Towards a New Start) uitnodig als eerste het stokje over te nemen.

Hoogachtend, Ahmed Aboutaleb