Slagschaduw van een vredesakkoord

Hulporganisaties verdringen elkaar en oorlogsmisdadigers lopen vrij rond. Alles op kosten van de internationale gemeenschap. Intussen staan heel wat Bosnische burgers elkaar nog altijd naar het leven. `We hebben het hulpgeld aan de verkeerde mensen gegeven.'

Eerst zette Duro Acimovic een dak op zijn verwoeste huis. Daarna bouwde hij een geitenstal en een kippenren. Immers, de medewerker van de VN-vluchtelingenorganisatie UNHCR had hem enkele weken geleden beloofd voor geiten en kippen te zorgen. Duro en de andere teruggekeerde Bosnisch-Servische vluchtelingen hoefden alleen hun naam op een lijst in te vullen. Drie dagen geleden is Duro Acimovic naar de afdeling van de UNHCR in de nabijgelegen stad Mostar gegaan. De stal is klaar, de ren is aangeharkt. Maar waar blijven de geit en de kippen? Ach, antwoordde een medewerkster achter haar bureau. Ze kende de collega die in Acimovic' dorp was geweest wel. ,,Die man doet altijd te snel beloftes.''

Op 24 april vorig jaar dienden de Bosnische Serviërs Duro en Zorana Acimovic bij de UNHCR een aanvraag in om terug te keren naar hun oude woonplaats Zeljuša. In 1993 waren ze op de vlucht geslagen voor het oorlogsgeweld in Bosnië. In Mostar voerden de Bosnische Kroaten en de Bosnische moslims een verbeten gevecht. Een leven was er niets waard. Duro en zijn vrouw Zorana vluchtten naar het oosten van Bosnië. Zorana was de eerste die terug wilde. ,,Ik kon geen afstand doen van mijn bezit.'' Ze schenkt nog een glas appeljenever in voor haar man. De appelboom had hij in 1973 zelf in de tuin geplant.

Zorana's kinderen verklaren haar voor gek. Terugkeren naar `vijandelijk' gebied, dat doet bijna niemand in Bosnië. Nog geen 5 procent van de gevluchte mensen is teruggegaan naar een gebied waar zij in de minderheid zijn. Maar de Bosnische Serviërs Duro en Zorana Acimovic wilden terug, naar een gebied dat voornamelijk door moslims wordt bewoond. Van de UNHCR hebben ze nooit antwoord gekregen, ook niet na herhaaldelijk aandringen. ,,Ze zeiden: we maken een dossier van jullie zaak.''

Het is dan bijna vijf jaar geleden dat het Akkoord van Dayton werd gesloten. Op 14 december 1995 zetten Slobodan Miloševic, Franjo Tudjman en Alija Izetbegovic hun handtekening onder het vredesakkoord dat werd genoemd naar het plaatsje bij de Amerikaanse luchtmachtbasis waar de onderhandelingen werden gevoerd. Het akkoord maakte een einde aan de driejarige, bloedige oorlog in Bosnië, die naar schatting aan 250.000 mensen het leven kostte. Een oorlog die de internationale gemeenschap genadeloos te kijk zette en opzadelde met een kostbaar, halfbakken protectoraat. Waarbinnen de bewoners elkaar het licht in de ogen niet gunnen.

Tientallen hulporganisaties zijn er naar Bosnië gekomen, in het kielzog van de Verenigde Naties, die sinds Dayton het bestuur van het land goeddeels hebben overgenomen. De organisaties, ambassades en besturen staan beschreven in een zes centimeter dik, 565 pagina's tellend boek. De hulporganisaties komen graag, want Bosnië betekent werk – het land heeft in vijf jaar tijd 5,2 miljard dollar ontvangen. Bosnië betekent ook aandacht – goed voor de fondsenwerving. Maar bestuurders en hulpverleners verliezen de noden van de mensen zelf uit het oog, luidt de kritiek van de Bosniërs. Het voorbeeld van Duro en Zorana staat niet op zichzelf.

Ook binnen de internationale gemeenschap groeit de kritiek. De kwaliteit van het internationale bestuur gaat omlaag, zeggen EU-diplomaten. Bosnië wordt de proeftuin van pas afgestudeerde bestuurskundigen, advocaten en massacommunicanten. ,,Wil je na je studie een jaartje naar het buitenland? Dan kun je naar Bosnië'', zegt een diplomaat spottend. Vijf jaar na Dayton heeft de top van het internationale bestuur het land verlaten, vaak gefrustreerd door het gebrek aan vooruitgang en aan medewerking van de Bosniërs. Daarbij telt voormalig Joegoslavië sinds vorig jaar een nieuwe hotspot: Kosovo. Sommige bestuurders zijn overgeplaatst om het bestuur in Kosovo op poten te zetten.

Jakup Finci, voorzitter van de joodse gemeenschap in de hoofdstad Sarajevo en gerespecteerd gesprekspartner van de internationale gemeenschap, durft het hardop te zeggen. ,,Carl Bildt, ex-premier van Zweden, was de eerste VN-gezant. Wolfgang Petritsch, een voormalig ambassadeur van Oostenrijk, is dat nu. Zo'n man heeft toch andere contacten dan een premier, die zonder moeite ex-collega's als Tony Blair en Lionel Jospin opbelt.''

Haat tegen moslims

Duro en Zorana Acimovic zijn een paar maanden geleden, op 20 september, teruggekeerd naar hun oude stek, waar ze tussen de moslims wonen. Op eigen initiatief. De familie uit Servië is een paar dagen overgekomen om te helpen met de reparatie van het dak en de kleine woonkamer. De rest van het huis ligt nog in puin – de badkamer bestaat uit een badkuip, een tuinslang en drie kapotgeschoten muren. Duro brengt veel tijd door in de kantoren van de talloze hulporganisaties. Gisteren heeft hij er zes bezocht. ,,Niemand kon mij helpen bij de opbouw van mijn huis.''

Met hun islamitische buren hebben Duro en Zorana Acimovic geen contact. ,,Zeggen we niets, krijgen we ook geen ruzie'', redeneert Zorana. Maar ook de andere teruggekeerde Bosnische Serviërs, een handjevol ouderen, zien ze nauwelijks. Ze hebben geleerd hun zaken zelf te regelen.

In het nabijgelegen Mostar is het met de integratie niet veel beter gesteld. De Bosnische Kroaten wonen aan de ene kant van de rivier, de Bosnische moslims aan de andere kant. De houten noodbrug, geschonken door de Nederlandse regering, steken ze liever niet over.

De Bosnische moslims treuren nog altijd om het verlies van hun eeuwenoude stenen boogbrug. De Bosnische Kroaten schoten de brug, een van de toeristische trekpleisters van het oude Joegoslavië, tijdens de oorlog stuk. De brug is verdwenen, evenals de toeristen. De moslims raken de ansichtkaarten en wandbordjes met de afbeelding van de brug aan de straatstenen niet kwijt.

De Bosnische Kroaten halen hun schouders op over de verdwenen brug. Het bouwsel herinnerde hen vooral aan de Turkse overheersing. ,,Gelukkig is-ie verdwenen'', zegt een voorbijganger. Aan deze kant van de brug hebben de mensen niets te maken met Bosnië; hier spreken ze Kroatisch, lezen ze de Kroatische krant en betalen ze met de Kroatische munt, de kuna. De convertibele mark, het officiële betaalmiddel van Bosnië, wordt spottend weggewuifd.

De vrede mag dan zijn getekend, de tolerantie is niet hard gegroeid. In Mostar heeft het VN-bestuur een tv- en radiozender uit de lucht gehaald wegens aanzetten tot haat tegen moslims. En bij de laatste verkiezingen, vorige maand, hebben veel Kroaten, Serviërs en moslims op nationalistische, etnische partijen gestemd. ,,De oorlog wordt voortgezet met onze middelen, ons geld'', zegt een EU-diplomaat in Sarajevo. Sinds 1995 heeft Bosnië circa 5,2 miljard dollar ontvangen. Van Nederland heeft het land de afgelopen twee jaar 360 miljoen gulden gekregen. ,,De oude structuren zijn intact gebleven. Wij hebben het geld aan de verkeerde mensen gegeven. Die hebben zich via ons verrijkt.''

De International Crisis Group (ICG), een gezelschap van vooraanstaande analisten, vindt dat ook. De ICG bracht vorige maand een omstreden rapport uit; circa 75 van oorlogsmisdaden verdachte Bosnische Serviërs bekleden belangrijke posten bij het lokale bestuur en de politie. Ze nemen hulpgeld aan, houden de uitvoering van het Daytonakkoord op en jagen vluchtelingen schrik aan. Die keren, onder meer uit angst, niet terug naar hun oude huizen.

Neem Srebrenica. De voormalige moslimenclave, tijdens de oorlog onder bescherming van Nederlandse VN-militairen, ligt tegenwoordig in de Servische Republiek. Het Akkoord van Dayton heeft het land verdeeld in twee `entiteiten': de Servische Republiek, waar voornamelijk Bosnische Serviërs wonen, en de moslim-Kroatische Federatie.

In vijf jaar tijd is Srebrenica weinig veranderd. De gevels zitten vol kogelinslagen, de kreten van Nederlandse VN-soldaten staan nog altijd op de muren van hun basis gekalkt. Huizen worden niet opgeknapt, restaurants niet heropend. Het akkoord van Dayton schrijft immers voor dat de vluchtelingen moeten terugkeren naar hun oude huizen. Iedere steen in Srebrenica is geclaimd door moslims, zegt een hulpverlener. De huidige bewoners, veelal Bosnisch-Servische vluchtelingen uit andere delen van Bosnië, voelen er niets voor de huizen op te knappen om die vervolgens terug te moeten geven aan de moslims.

Afgelopen voorjaar keerde het eerste moslimechtpaar terug naar Srebrenica. Sacir Halilovic is 87 jaar oud, zijn vrouw Mevlida 80 jaar. Hun huis ligt op een van de heuvels. Zij vonden het, vijf jaar na de val van de enclave, verwoest terug. Met hulp van een organisatie bouwden zij het afgelopen zomer weer op. Al die tijd woonde het echtpaar in de keuken op het erf.

Sacir wilde terug ,,om te sterven op mijn geboortegrond''. Dat wilden de Bosnische Serviërs nog wel toestaan. Bovendien genoten de Halilovic' een goede reputatie onder de Servische inwoners van Srebrenica. Hun zoon was gynaecoloog – veel kinderen in Srebrenica zijn met zijn hulp ter wereld gekomen. ,,Sommige mensen herinneren zich hem'', zegt Sacir trots. Zijn zoon overleefde de oorlog niet, evenmin als zijn schoonzoon, die de heuvels invluchtte en nooit meer terugkwam.

,,Mijn ouders worden getolereerd omdat ze oud zijn'', zegt de dochter van Sacir en Mevlida. Ze is op bezoek. Ze woont tegenwoordig in Tuzla, een uur rijden van Srebrenica, en werkt bij een verzekeringsmaatschappij. Jongere moslims worden niet geaccepteerd in Srebrenica. De Bosnische Serviërs zien hen als een bedreiging. Afgelopen zomer werden twee huizen, bestemd voor moslimfamilies, in brand gestoken. Een auto met moslims werd bekogeld met stenen.

Terugkerende vluchtelingen worden niet alleen in Srebrenica tegengewerkt. Het dorp Zolac ligt in de federatie, de Kroaten zijn er in de meerderheid. Ze bedreigen de moslims, ook zij steken huizen in brand. In de afgelopen anderhalf jaar zijn meer dan honderd huizen beschadigd. En wat doet het internationale bestuur? Wat kan het doen? Het eist dat de Kroatische politiecommandant een onderzoek instelt. Die komt vervolgens met niets op de proppen en wordt ontslagen. Keer op keer. Zo heeft Zolac de afgelopen anderhalf jaar al zeven politiecommandanten versleten.

Het is, zegt Jakup Finci van de joodse gemeenschap, een van de grootste fouten van het internationale bestuur. ,,Het Westen blijft vasthouden aan de droom van een multi-etnisch Bosnië. Maar het is een droom. Bosnië is in werkelijkheid etnisch gezuiverd.'' Het multi-etnische Bosnië van voor de oorlog bestaat niet meer. Tegenwoordig wonen de Serviërs in het oosten, de Bosniërs in het midden en de Kroaten in het westen, daartoe aangemoedigd door hun eigen politici.

Finci somt de cijfers over Sarajevo uit het hoofd op. Voor de oorlog 49 procent moslims en 33 procent Serviërs. Na de oorlog 92 procent moslims en 3 procent Serviërs. ,,We zeggen dat we niet klaar zijn om etnische zuiveringen te accepteren, maar we hebben het in Sarajevo al gedaan.''

Beha's en olijfolie

Wie vanuit het oosten Bosnië binnenkomt, rijdt de Servische Republiek in. Welcome to the republic of srpska staat er op een bord geschreven, en zelfs over die halfslachtige Engelse vertaling van `Servische Republiek' maakt men al ruzie. De reis gaat over groene heuvels en door verlaten dalen. Kaarsen branden achter de ramen en het ruikt naar houtovens, want er is nauwelijks elektriciteit. Daar ligt de moslimenclave Gorazde, op de kaart een kleine vlek in de republiek. Gorazde was, net als Srebrenica, tijdens de oorlog een door VN-troepen beschermd `veilig gebied'. Maar in tegenstelling tot Srebrenica, vandaag de dag bewoond door Serviërs, is Gorazde een moslimenclave gebleven.

Het is een drukte van belang in de stad. Mannen drommen op straat en op de terrassen om Turkse koffie te drinken. Vrouwen stallen hun koopwaar uit op de trottoirs: tien kroppen sla, vijf beha's, twee flessen olijfolie, een arm vol rinkelende wekkers. Jongens verkopen benzine uit colaflessen. De prijs van benzine is hoog, het inkomen laag – veel mensen veroorloven zich slechts twee liter. Dan kunnen ze weer even verder in hun oude Zastava's.

Buiten de stad ligt de oude frontlijn, tegenwoordig de etnische scheidslijn. Van tientallen huizen staan alleen de muren overeind. In voormalige woon- en badkamers groeien bomen en struiken. Een enkeling heeft een kamer opgeknapt en woont met het hele gezin in die ene kamer. De wegen zijn uitgestorven. Of nee, even verderop loopt een oude vrouw met twee emmers water.

In de schemer doemt Foca op. Foca is een stad van Bosnisch-Servische militanten. Het is op het eerste gezicht een vriendelijke stad, met lage huizen en vrolijke terrassen aan de rivier Drina. Maar er klopt iets niet. Mannen groeten niet terug, kinderen maken sissende geluiden, obers draaien zich om bij het zien van een onbekende klant. Niet voor niets heeft de stad de bijnaam dark side of the moon. Twee Nederlandse marechaussees, lid van de internationale politie, hoorden op de ochtend van hun vertrek naar Foca van die bijnaam. ,,Lekker om te horen, vlak voor je vertrek.''

Regelmatig worden door het Joegoslavië-tribunaal gezochte oorlogsmisdadigers gesignaleerd in Foca. Volgens het ICG verblijven er zo'n vijf verdachten in de stad. Tijdens een bezoek aan Foca, afgelopen zomer, liep ik net Janko Jakic mis. Jakic was tijdens de oorlog actief in het verkrachtingskamp even buiten Foca en stond op de lijst van gezochte oorlogsmisdadigers.

Janko Jakic was een opvallende verschijning. Hij zat onder de tatoeages en pochte dat het Joegoslavië-tribunaal hem niet te pakken zou krijgen. Hij pleegde nog liever zelfmoord. Jakic hield woord. Tijdens een dreigende arrestatie door soldaten van de internationale vredesmacht, enkele weken geleden, blies hij zichzelf op met een handgranaat. Naar verluidt moedigde de menigte hem aan.

Buitenlanders komen niet graag in Foca. Agenten van de internationale politiemacht vragen vaak binnen twee weken overplaatsing aan. Ze voelen zich niet veilig. Amerikaanse agenten werden vorig jaar met pistoolschoten de rivier Drina ingejaagd en het kantoor van de internationale politie ging voor maanden op slot na een aanval met een brandbom. De twee Nederlandse marechaussees zeggen: ,,We worden in geen winkel of restaurant geholpen. En na een dag werken wil je toch een beetje gezelligheid.'' De meeste buitenlanders wonen dan ook in de moslimenclave Gorazde. Aan het eind van de middag zit hun werkdag er op, verlaten ze Foca en hebben de boeven vrij spel.

Radovan Karadzic zou zich in de bergen rond Foca bevinden. Hij was de leider van de Bosnische Serviërs tijdens de oorlog en wordt onder meer verantwoordelijk gehouden voor de massaslachting in Srebrenica. De ICG zegt dat buitenlandse geheime diensten weten waar Karadzic zich bevindt. De Bosnische geheime dienst zegt in 1999 drie keer informatie te hebben doorgespeeld over de verblijfplaats van Karadzic.

De speciale afgezant van de secretaris-generaal van de VN, Jacques Klein, kan er woedend over worden. Hij meent dat Karadzic zo snel mogelijk moet worden opgepakt. Maar er is een handvol redenen waarom hij niet wordt gearresteerd. Er kunnen doden vallen onder de commando's, want Karadzic zou zwaar worden bewaakt. De Bosnische Serviërs zouden in opstand komen als de `vader' van hun republiek wordt opgepakt. En Karadzic zou voor het Joegoslavië-tribunaal wel eens uit de school kunnen klappen over de rol van het Westen tijdens de oorlog. Zo circuleren er al jaren geruchten over een overeenkomst tussen de Franse regering en de Bosnisch-Servische leider. In ruil voor het uitblijven van luchtsteun tijdens de val van Srebrenica zou Karadzic de veiligheid van gegijzelde Franse VN-militairen gegarandeerd hebben.

Klein reageert geïrriteerd. ,,We kunnen vluchtelingen aanmoedigen terug te keren, maar dat heeft geen enkele zin als een van de belangrijkste oorlogsmisdadigers vrij rondloopt.'' Dat belemmert de terugkeer van vluchtelingen, die bang zijn hun voormalige vijand tegen het lijf te lopen. Veel moslims durven zich niet in de buurt van Foca te vertonen.

Maar die haperende terugkeer van vluchtelingen komt de lokale politici ook goed uit, zegt Jakup Finci. ,,Bosnische politici gebruiken de vluchtelingen vaak om beslissingen van het internationale bestuur tegen te houden. Oké, zeggen ze dan, maar eerst moeten de vluchtelingen terugkeren. Zo ontstaat er een verlammende patstelling. Een aantal vluchtelingen wil ook niet terug, aldus Finci. Hij wijst op de moslims uit Gorazde. Ze kunnen terug, want Gorazde is een moslimenclave, maar ze blijven liever in Sarajevo. ,,Gorazde is armoedig. De hoger opgeleidenen zijn beter af in Sarajevo. Hun kinderen gaan naar de universiteit en zij vinden zelf werk bij de internationale gemeenschap.''

Corruptie

Met de rest van het land gaat het snel bergafwaarts. Circa 50 procent van de beroepsbevolking is werkloos, een markteconomie is nog lang niet in zicht, amper 3 procent van de – meest verlieslijdende – staatsbedrijven is geprivatiseerd, de corruptie tiert welig en het buitenland investeert nauwelijks. Wie investeert in het voormalige Joegoslavië, gaat naar Slovenië of Kroatië of houdt zijn geld in zijn zak voor het nieuwe Servië. Bosnië wordt gemeden.

De internationale gemeenschap probeert het tij te keren, en stapelt ook daarbij fout op fout. Zij herstelt het spoorwegnet, maar vindt vervolgens geen bedrijf dat treinen wil laten rijden. Het verkoopt staatsondernemingen aan de werknemers, die prompt hun voucher verzilveren door het te verkopen aan het oude management. Dat zegt vervolgens: ,,We zijn geprivatiseerd. Alles is nu van mij.'' De corruptie is, vijf jaar na Dayton, legendarisch. Natuurlijk, er zijn wegen, bruggen, spoorwegen, scholen en huizen gebouwd, maar veel geld verdwijnt in de zakken van corrupte politici en ondernemers. En het zijn niet alleen de Bosniërs die het geld achterover drukken.

Het is een alarmerend krantenbericht: twee kinderen zijn in Sarajevo op een mijn gelopen. Het grasveld was niet geruimd - er is geen geld meer om mijnen te ruimen. Ja, zegt een medewerker van het internationale bestuur. ,,Het geld is op. Het is onder meer verdwenen in de zakken van de buitenlandse ondernemingen die de mijnen zouden opruimen.'' Het schandaal is vers en het internationale bestuur heeft nog maar net een onderzoek ingesteld. Stilletjes, want het zit enorm met de zaak in zijn maag.

Een paar honderd kilometer zuidelijker, in Kosovo, heeft de internationale gemeenschap lessen getrokken uit de mislukkingen van Bosnië. Daar zijn het de buitenlandse afgevaardigden die gemeenten besturen, en ministeries en staatsbedrijven leiden. De Kosovaren mogen slechts adviseren. Dat is Kosovo.

Bosnië ligt kansloos te verpieteren tussen Kroatië, Servië en Montenegro. Carl Bildt, de eerste VN-bestuurder in Bosnië, werd laatst gevraagd of hij ergens spijt van had. Ja, zei hij, we hadden vanaf het begin een volledig protectoraat van Bosnië moeten maken. Dan had de internationale gemeenschap direct kunnen ingrijpen, direct haar wil op kunnen leggen. Daarvoor is het nu te laat.