Nieuw erfrecht soms om te huilen

Het nieuwe erfrecht kan verdrietig uitpakken voor kinderen van hertrouwde ouders. De tweede partner krijgt als langstlevende veel mogelijkheden om hun niets te hoeven betalen.

Een ondernemer met vrouw en drie kinderen ontmoet na tien jaar huwelijk de échte ware. Hij gaat scheiden, hertrouwt, bouwt verder aan zijn zaak en krijgt nóg twee nazaten. Twintig jaar later gaat hij dood. Naar wie gaat nu zijn erfenis? Bij een wettelijke verdeling volgens het aanstaande nieuwe erfrecht (rond 2002) helemaal naar zijn tweede vrouw. De kinderen uit het eerste huwelijk zijn namelijk geen erfgenaam, maar schuldeiser van de tweede echtgenote. Pas na haar overlijden kunnen ze hun deel van vaders geld en goederen opeisen. Althans, als de erfenis nog bestaat en als ze weten waar de tweede vrouw verblijft.

Het kan ook anders. Een bemiddelde gehuwde vrouw met drie zoons overlijdt (na 2002) na tien jaar huwelijk. Er is geen testament en haar erfenis gaat naar haar echtgenoot. De kinderen worden crediteuren van pa, maar hun vordering is pas opeisbaar na zijn dood. Na tien jaar weduwnaarschap – de jongste zoon staat dan op eigen benen – wil vader hertrouwen. De kinderen mogen nu goederen uit de nalatenschap van moeder opeisen. Tenminste, als die goederen nog bestaan en vader zijn kinderen hun vordering nog niet heeft uitbetaald. Vader kan zich wél het vruchtgebruik over de overgedragen spullen voorbehouden. Na tien jaar tweede huwelijk vernemen de zoons dat pa is overleden. Ze informeren naar de spullen en het geld uit de erfenis, maar vader blijkt hen te hebben onterfd. Boos maken ze aanspraak op hun legitieme portie (wettelijk erfdeel). Ze vangen echter bot, want hun vorderingen zijn niet opeisbaar tot de tweede vrouw overlijdt.

,,Het nieuwe erfrecht brengt de positie van de kinderen terug tot die van achtergestelde crediteuren'', zegt mr. Eric Ebben, die dit jaar promoveerde op het aanstaande erfrecht aan de Vrije Universiteit. Juist in deze tijd van seriële monogamie – ruim 30 procent van de huwelijken strandt – zullen daardoor volgens hem veel verdrietige situaties ontstaan. ,,Iedereen kent die gevallen toch. Vader vertrekt en begint een nieuwe relatie, terwijl de kinderen bij moeder blijven. En het eerste huwelijk raakt steeds verder op de achtergrond.'' Kinderen wiens vader een `jonge blom' huwt, zullen het opeisen van hun erfdeel wellicht nooit mogen meemaken.

De sterke bescherming van de langstlevende in het nieuwe erfrecht opent volgens Ebben de deur naar nieuwe misstanden. ,,De legitieme portie van de kinderen is straks een fopspeen'', zegt hij. ,,Zo lang er een langstlevende is, is de vordering niet opeisbaar. En als de langstlevende het hele vermogen via een verzekeraar omzet in een levenslange lijfrente dan is de nalatenschap gewoon op en krijgen de kinderen uit het eerste huwelijk niets.'' Volgens Ebben had de wetgever ,,de dagwaarde van de laatste relatie van de erflater moeten relativeren ten opzichte van de bloedverwantschap tussen de erflater en de kinderen''.

Bovendien had men duidelijk moeten kiezen: ofwel helemaal géén legitieme portie of een échte legitieme portie. ,,Een kind dat straks zijn legitieme portie wil hebben, moet aan debiteurenbewaking gaan doen, want het overlijden of faillissement van de tweede partner maakt de vordering opeisbaar. Stel je voor dat de kinderen wekelijks gaan informeren: `Papagaaitje, leef je nog?' Daar zit de langstlevende niet op te wachten. De nieuwe legitieme portie kan zo zelfs leiden tot juridische stalking. Daar heeft niemand wat aan.''

Ook hekelt Ebben de gecompliceerdheid van de nieuwe wet. ,,Er zitten stukken in uit 1947; er is aan vertimmerd in de jaren vijftig, zestig en zeventig; en we zitten nu met de toevoegingen uit de jaren negentig. Het is een lappendeken. Jaren heb ik er op gestudeerd, maar toch valt van hele stukken wetstekst niet met zekerheid zeggen hoe het werkt. De regeling rond de legitieme portie is zelfs vier keer zo ingewikkeld geworden. Ik leg het regelmatig uit aan een zaal vol notarissen, en die zitten allemaal hoofdschuddend te luisteren.'' Natuurlijk, zegt Ebben, ,,de nieuwe wet kent ook verbeteringen. Bij echtscheiding vervalt vanzelf het nalaten van geld en goederen aan de langstlevende, de aanvaarding en verwerping van een erfenis staat duidelijker op een rij, en de regelingen rond executele, bewind en vereffening zijn zelfs prachtig geworden.''

Eén doel van het nieuwe erfrecht is dat minder stellen naar de notaris hoeven om de verzorging van de langstlevende te verzekeren. ,,Je hebt echter wél een testament nodig als je de positie van je kinderen wilt beveiligen'', zegt Ebben. ,,In dat opzicht raad ik aan de vordering van de kinderen opeisbaar te maken in goederen als de langstlevende gaat hertrouwen of verhuist naar het buitenland. Ik zou daarnaast de vorderingen van de kinderen laten corrigeren voor inflatie. In het erfrecht geldt straks de wettelijke rente minus zes procentpunt. Dat komt momenteel uit op nul, terwijl de inflatie zo'n 3 procent bedraagt. Je hebt de meeste rechtszekerheid als je nog onder het huidige erfrecht een ouderlijke boedelverdeling laat opmaken, want onder het nieuwe erfrecht kan dat niet meer.''

Is de nieuwe wet werkelijk zó ontoereikend? Dan was hij in 1969 toch nooit vastgesteld en vorig jaar aangenomen? ,,Frappant genoeg betrof het in beide gevallen de laatste zitting van de Eerste Kamer in de toenmalige samenstelling'', weet Ebben. ,,Bovendien was het tot twee keer toe het laatste punt op de agenda. De Eerste Kamer had vorig jaar veel principiële vragen, maar de borrel stond al klaar en de minister beloofde de puntjes op de i te zetten in de bezemwet. Nu ligt die wet in de Tweede Kamer, maar daar staan de beloofde wijzigingen niet in. Het is dus geheel aan het notariaat om zich in de verbetering van de positie van kinderen van erflaters te bekwamen.''