Niet het zoveelste graf

De Rijksdienst voor Oudheidkundig Bodemonderzoek speelt nu een vurig gewenste maatschappelijke rol. Maar de wetenschappelijke status wordt bedreigd.

De makers zeggen het zelf: ook de deze week verschenen tweede versie van de kaart met archeologisch belangrijke gebieden kent gebreken. Officieel heet de kaart IKAW: Indicatieve Kaart Archeologische Waarden. De kaart, gemaakt door de Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek (ROB), geeft op een schaal van 1:50.000 aan waar in Nederland de kans op archeologische vondsten groot is en waar die kans vrij klein is. De kaart is bedoeld als hulpmiddel voor beleids- en plannenmakers bij de overheid. In 2002 wordt het Verdrag van Malta van kracht, met de plicht tot bescherming en behoud van het archeologisch erfgoed.

De probleem met de kaart is simpel: de schaal is te groot om afgewogen planologische beslissingen te kunnen nemen. En voor veel gebieden zijn er te weinig vondsten om de kans op nieuwe vondsten goed in te schatten. Zo werden dit voorjaar bij Zutphen toevallig vijf vindplaatsen uit de periode 8400-7900 voor Christus gevonden in een voormalig beekdal. ``In beekdalen verwachtten we weinig vondsten'', zegt ROB-onderzoeker Groenewoudt, ``maar nu vonden we op drie meter diepte prachtig organisch materiaal zoals botten en fragmenten van geweien. Uit deze periode zijn in Noordwest-Europa maar twee vindplaatsen bekend.''

De kaart is maar een van de problemen bij de aanstaande invoering van het Verdrag van Malta, dat in 1992 door toenmalig WVC-minister d'Ancona is ondertekend. Het archeologische bestel moet worden veranderd, maar ook de belangen van provincies, gemeenten en andere ministeries als LNV, VROM en V&W zijn nu in het geding. Bij de Tweede Kamer ligt een brief van staatssecretaris Van der Ploeg waarin hij invoering van het verdrag èn een wet op de archeologie aankondigt. Als alles goed gaat wordt eind volgend jaar het `veroorzakersprincipe' ingevoerd: wie door bijvoorbeeld bouwactiviteiten archeologisch onderzoek `veroorzaakt' moet alles betalen. Ook commerciële bedrijven mogen gaan opgraven, mits zij aan kwaliteitseisen voldoen. En ondertussen is de ROB druk bezig zich te ontwikkelen tot Kenniscentrum voor het Archeologisch Erfgoed.

``Archeologische monumentenzorg is nu onze belangrijkste taak'', zegt ROB-directeur Henriëtte van der Linden in een etablissement bij de Tweede Kamer. Ze raadt appelgebak met echte slagroom aan. Van der Linden kent het Haagse, ze was directeur-generaal bij OCenW voordat ze vier jaar geleden directeur van de dienst werd. Ze reist regelmatig naar Den Haag of Zoetermeer voor (politiek) overleg. Haar voorgangers waren stuk voor stuk mannen die zelden of nooit standplaats Amersfoort verlieten voor een bezoek aan politiek Den Haag. Zíj waren in de eerste plaats archeologen, mannen van de wetenschap. Zo gingen onder directeur Van Es jarenlang bijna alle mankracht en middelen naar de (nood)opgravingen in het Kromme Rijn-gebied rond Wijk bij Duurstede. Onder Willems, Van der Lindens voorganger, vloeide het meeste geld naar een groot Romeins legerkamp op het Kops Plateau in Nijmegen.

Die ROB bestaat niet meer. De dienst realiseerde zich tien jaar geleden dat sinds de jaren vijftig al een derde van het bodemarchief voorgoed was verdwenen, door stadsuitbreiding en ruilverkaveling. Met noodopgravingen liepen ze achter de feiten aan. De ROB moest proberen mee te doen aan het maatschappelijke spel. De laatste jaren lukt dat. De ROB heeft het voor elkaar gekregen dat veel gemeenten en overheidsinstellingen nu al in de geest van het Verdrag van Malta werken. Voor de VINEX-locatie Leidsche Rijn hebben archeologen vanaf de eerste bouwplannen kunnen meepraten over de inrichting.

insteken

Van der Linden heeft een frisse wind laten waaien door het ROB. Ruimtelijke ordeningdeskundigen, voormalige Haagse ambtenaren, een hoofd communicatie dat afkomstig is van het Rode Kruis, ze weten allemaal de Kerkstraat in Amersfoort te vinden. En die cultuuromslag gaat verder dan dat nu ook mannen met aktenkoffers en regenjassen met leren kraagjes het ROB-gebouw betreden. De gesprekken aan de koffietafel gaan niet meer alleen over sterke verhalen uit het veld, maar ook over het `insteken' van Tweede-Kamerrapporten. Enkelen zagen dit proces met lede ogen aan, vergaten hoe ze vroeger op de dienst hebben gekankerd, gingen de goede oude tijd verheerlijken en zijn vertrokken. ``Een normaal proces'', beaamt Van der Linden.

Toch is er bij de ROB meer aan de hand dan een `normaal' reorganisatieproces. De vroegere periodespecialisten, experts op het gebied van de prehistorie, Romeinse tijd en Middeleeuwen en vaak met een zeer lange staat van dienst, zijn stuk voor stuk vertrokken. Voor hen in de plaats zijn weliswaar twee goede jonge onderzoekers gekomen, maar de eerste weddenschappen op wanneer zij weer zullen vertrekken, zijn al afgesloten. De sector Onderzoek is binnen korte tijd al aan zijn tweede interimhoofd toe. Bij de dorpspomp hoor je een universitaire archeoloog tegen een ROB'er zeggen `Goh, wat hebben jullie veel vacatures' en even verderop fluistert een ROB-medewerker: ``Ik ken er nog veel meer die weg willen.'' In de kroeg krijgt een jonge archeoloog die vertelt dat hij bij de ROBgaat werken, van zijn vroegere medestudenten geen felicitaties voor deze stap in zijn wetenschappelijke carrière, hij krijgt te horen `wat zielig, geef die jongen een pilsje'. Het lijkt er op dat de ROB dan nu wel een maatschappelijke rol speelt, maar zijn wetenschappelijke status kwijtraakt.

``Bij het nieuwe beleid gaat het niet meer om opgraven en grootschalig nederzettingenonderzoek, maar om toegepast wetenschappelijk onderzoek'', zegt wetenschappelijk onderzoeker Bert Groenewoudt, terwijl hij zich tegoed doet aan de door zijn directeur aangeraden appeltaart. Een van de eerste resultaten is de al genoemde IKAW. Groenewoudt zelf houdt zich bezig met `waarderen en selecteren'. Het heeft in zijn ogen geen zin iedere archeologische vindplaats te behouden. ``Niet de zoveelste grafheuvel, maar wel iets dat zeldzaam of van uitzonderlijke goede kwaliteit is.'' Een belangrijke op te vullen kennisleemte is bijvoorbeeld de overgang van Laat-Romeinse tijd naar de Middeleeuwen. En Noord-Midden-Limburg, het binnenland van Friesland en Groningen, het duingebied en Twente behoren tot de gebieden die tot nu toe door de archeologen stiefmoederlijk zijn behandeld.

De ROB mag graag zeggen Europees gezien met toegepast onderzoek voorop te lopen, dat is getuige de problemen met de IKAW niet voldoende. Naar het effect van beschermende maatregelen is nog veel te weinig onderzoek gedaan. Op te behouden vindplaatsen in het tracé van de Betuweroute is bijvoorbeeld een laag grond gestort, nadat met behulp van een computerprogramma uit de civiele techniek was berekend hoeveel centimeter vondsten door de druk verplaatst worden. De archeologen hebben dertig centimeter als maximaal toelaatbare verschuiving aangehouden, maar geven toe dat het een educated guess is. Grondsporen kunnen misschien toch zo door elkaar raken dat de wetenschappelijke informatie verloren gaat.

``We zijn nog niet op orde voor Malta'', geeft Van der Linden grif toe. Groenewoudt zegt verder dat wat ze doen goed is, maar dat de wetenschappelijk onderzoekers, die met zijn twaalven de sector Onderzoek vormen en de basis van het nieuwe beleid moeten leveren, tegen de grenzen van hun kunnen aanlopen. En dat terwijl uit betrouwbare kringen geluiden komen dat Rick van der Ploeg heeft laten doorschemeren dat hij als staatssecretaris van Cultuur toch niet voor een volledige wetenschappelijke afdeling hoeft te betalen. Directeur van der Linden reageert als de geroutineerde bestuurster die ze is. ``Je moet niet alleen naar de sector Onderzoek kijken. Ik heb wel veertig onderzoekers in mijn dienst.'' En wat zegt ze over het mogelijke gebrek aan belangstelling voor archeologie in de hoogste regionen van OCenW en over het feit dat het ministerie het beleidsplan van de ROB heeft goedgekeurd, maar in de Cultuurnota afkomt met slechts 300.000 van de benodigde 2,8 miljoen gulden? Niets. ``Ik ben ambtenaar.'' En over het niet gekregen geld, zegt ze diplomatiek: ``Met het toegekende geld kunnen wij ons beleid niet uitvoeren, maar wij zijn nog in overleg met het ministerie en ik heb goede hoop dat het in orde komt.''

noodklok

Intussen dreigt het met het fundamentele wetenschappelijk onderzoek ook mis te gaan. De ROB, die het vanwege zijn nieuwe taak niet meer wil doen, beschouwt het voortaan als de `core-business' van de universiteiten. En die hebben bij monde van de onderzoekschool Archon onlangs de noodklok geluid. Ze zijn bang dat de invoering van het Verdrag van Malta de doodsteek voor vernieuwend archeologisch onderzoek vormt. ``We moeten oppassen dat we niet dezelfde fout maken als met de grootschalige opgravingen van vroeger. Opgravingen als die van het Kops Plateau hebben veel geld gekost, maar een goed wetenschappelijk verslag ontbreekt nog steeds'', zegt Nico Roymans, hoogleraar Provinciaal-Romeinse archeologie, op de achtste verdieping van de Vrije Universiteit. ``In de Malta-archeologie gaan straks tientallen miljoenen guldens om die een hoop basisrapportages met veel informatie opleveren. Dat is goed. Maar als er vervolgens niks mee gebeurt, ontstaat een rapportenkerkhof en geen nieuwe kennis.''