Literatuur is een merknaam

Waarvoor dient literatuur? Het lijkt een vraag uit de vroegere catechismus, en oplossen kunnen we die niet, maar het is af en toe wel zinvol die te stellen. U die dit leest, bent ongetwijfeld allemaal literatuurliefhebbers, zeker als u nu nog verder leest. Wat is uw functieopvatting van literatuur? Ik probeer even uw buikpop te zijn. Velen van u zullen zeggen: literatuur is interessant, omdat je er verschillende manieren van leven in kunt leren kennen die je anders niet ontdekt. Literatuur kan je naar verre streken brengen of naar andere tijden. Je kunt aan personages voorgesteld worden die inzicht geven in de motieven en handelingen van mensen in de werkelijkheid. De lezer van Shakespeare's Macbeth leert meer over macht, verslaving aan macht en de invloed van vrouwen op mannen dan de gemiddelde politicus in Den Haag ooit zal leren.

Literatuur is dus nuttig. Anderen zullen zeggen dat literatuur vooral boeiend is omdat die je een spiegel voorhoudt. Je herkent je eigen situatie in de conflicten en bent daardoor beter in staat die te beoordelen. Wie herkent Hamlet niet in zijn halfslachtig geaarzel en voortdurende uitstel van daden? Literatuur ontleent dus ook zijn functie aan de identificatiemogelijkheden. Lang geleden, ik was nog scholier, had ik een bijbaantje in een openbare bibliotheek. Daar kwam een keer per week een mevrouw die om `huilboeken' vroeg (beukbeuk in het Limburgs, met de lange -eu van beurre in de eerste lettergreep). Dan haalde ik het hoofd van de bibliotheek erbij om haar te bedienen. Ik herinner me niet wat voor boeken er voor haar uit de kasten gehaald werden, maar het zullen wel volwassen pendanten van Alleen op de wereld zijn geweest.

Literatuur kan ontroeren op een bevrijdende manier. Bij een goede voorstelling van Romeo and Juliet horen er tranen weggepinkt te worden. Misschien vindt u dit allemaal flauwekul en geniet u van literatuur om het technisch vernuft van een schrijver. Shakespeare's 94ste sonnet (`For sweetest things turn sourest by their deeds,/ Lilies that fester smell far worse than weeds.') is een wonder van contrasten en klankovereenkomsten. Dat is in elk geval wat literatuur onderscheidt van de huilboeken van de bibliotheeklezeres: literatuur dient ook een esthetische bevrediging te geven. Kortom: bij functieomschrijvingen van literatuur geldt de klassieke combinatie van lering en vermaak nog volop, naast ontroering, identificatie en esthetische voldoening.

Een van de taken van de literatuurwetenschap is om te achterhalen welke soorten functieopvattingen van literatuur er zijn. De opvattingen van verschillende lezers kunnen ondergebracht worden in categorieën en op basis daarvan kan men dan weer conclusies trekken over hoe de verschillende lezers literatuur beoordelen. Wie literatuur leest om ontroerd te worden, zal Rosenbooms Publieke werken al na enkele bladzijden wegleggen, maar wie houdt van een ideeënroman, bekroont dit werk.

Maar volgens de nieuwste literatuurtheoretici leest u literatuur helemaal niet vanwege lering of vermaak, maar om distinctie uit te stralen. U loopt bij wijze van spreken in een Armani-pak door de Amsterdamse P.C. Hooftstraat als u literatuur leest. Want lezers van literatuur willen zich onderscheiden. Ze verwerven cultureel kapitaal, dat in de hedendaagse maatschappij even hoog op de beurs genoteerd staat als aandelen van de Koninklijke Olie. Lezers van literatuur willen laten zien dat ze niet de eersten de besten zijn. Dat is wat de Franse cultuursocioloog Pierre Bourdieu, die veel aanhangers heeft, aanwijst als de voornaamste functie van het lezen en andere vormen van cultuurbeoefening. Dat er verschillende genres van cultuur zijn, zoals literatuur, toneel, klassieke muziek of beeldende kunst, maakt verder niet uit. Mensen die literatuur lezen hebben een cultureel kapitaaltje, dat ze goed belegd hebben als ze er op de juiste manier gebruik van maken. Het is niet voor niets dat politici, captains of industry en andere parvenu's graag pronken met kunstwerken die ze aangekocht hebben of een regeltje poëzie door een toespraak strooien: ze willen graag laten zien dat ze culturele alfabeten zijn. Wat Bourdieu en in zijn kielzog de Franse critica Pascale Casanova opvalt, is dat de metaforiek bij literatuur vaak uit de wereld van het geld stamt. Dat klopt: inderdaad wordt de kwaliteit van literatuur geregeld omschreven in termen van rijk, waardevol, waardevast, allemaal aanduidingen uit de wereld van het geld.

De moderne literatuurwetenschap is gericht op de analyse van dit soort mechanismen. Ze legt ook zichzelf op de divan, want critici en literair-historici zijn onderdeel van het grote belangenveld van literatuur en cultuur. Uitgevers, organisatoren van literaire lezingen, leraren, boekhandelaars en subsidieverstrekkers zijn allemaal gebaat bij de boodschap dat literatuur iets bijzonders is, waarmee je je kunt onderscheiden van de massa.

Nu zijn er beurtelings en soms ook gelijktijdig bewegingen die cultuur juist meer naar de massa willen brengen en andersom meer excluderende pogingen. Rick van der Ploeg wil een uitbreiding van cultuur naar elke voorstelbare laag van de bevolking, Rudi Fuchs taalt niet naar het grote publiek. Harry Mulisch steekt de draak met een exclusiviteitstandpunt in De Procedure. Nadat hij in het eerste hoofdstuk allerlei onbegrijpelijke formules opgesomd heeft, vervolgt hij: `Ziezo, de opzet is gelukt. Wij zijn onder elkaar.' Hij heeft de `onreine lezers' van zich afgeschud.

Daarentegen was Willem Kloos bloedserieus toen hij in 1882 de inleiding bij de postume uitgave van de gedichten van Perk schreef. Hij zette alle sluizen van de retorica open om zijn lezers ervan te overtuigen dat poëzie iets van de dichtende elite voor de fijnproevende lezende elite was. Poëzie is `eene gave van weinigen voor weinigen'. Kloos wilde literatuur weer exclusief maken als een reactie op de domineedichters die literatuur juist als een medium gebruikten om het volk te bereiken.

Bij de domineedichters overheerste een andere metaforiek dan die van het geld. Als zij over de betekenis van literatuur spraken, gebeurde dat vaak in termen van ziekte en gezondheid. De maatschappij werd gezien als een zieke die verpleegd moest worden om weer op krachten te komen. De functie van literatuur was verbetering van de maatschappij. Waar men voor lichamelijk heil naar de dokter ging, zocht men zijn geestelijk heil in de literatuur. Een schrijver die zich distantieerde van deze taak, kreeg het zwaar te verduren. Schrijver en lezer vonden elkaar in deze heilzame functieopvatting en in deze zin was lezen van literatuur in de negentiende eeuw toch ook distinctief in de zin van Bourdieu. Wie las werkte aan een betere wereld.

Naschrift

Paardenbonen lijken de gemoederen van NRC Handelsblad-lezers de laatste weken meer bezig te hebben gehouden dan de Amerikaanse verkiezingen. Op mijn laatste column, waarin ik me afvroeg hoe paardenbonen smaken, ontving ik vele brieven, maar die spreken elkaar tegen. Er zijn briefschrijvers die paardenbonen een synoniem van tuinbonen noemen. Als dat zo was, dan was ik uit mijn probleem. Tuinbonen die te lang aan de planten hebben gestaan, smaken bitter en hard, hoe lang men ze ook kookt. Paardenbonen en tuinbonen zijn volgens andere brievenschrijvers geen synoniemen. Ze schijnen inderdaad wel als paardenvoer gebruikt te zijn. W.G. van Hulst heeft het in De Soete Suikerbol over paarse gespikkelde paardenbonen, maar zo omschrijft geen enkele andere bron ze. Mollebonen, kievietsbonen, wierdebonen, duivenbonen, paardenbonen en waalse bonen zijn allemaal varianten van één bonenfamilie, de vicia faba, maar de smaak bleef een omissie in mijn kennis. Kortgeleden kwam de oplossing in de vorm van een zakje met vier paardenbonen, die van de Museumboerderij Welgelegen in Leens stammen. Van vier bonen kan ik geen soep maken, maar ik zal ze in de grond stoppen en u volgend jaar vertellen hoe paardenbonensoep smaakt.