LEIDER VAN DE TWEEDE KLASSE

Met stip gestegen op de wereldranglijst. Trots presenteerde staatssecretaris Adelmund (Onderwijs) dinsdag de resultaten van het internationaal vergelijkende onderzoek naar de prestaties van 13- en 14-jarige leerlingen in exacte vakken, de Third International Mathematics and Science Study (TIMSS). ``Eindelijk weer eens goed nieuws'', aldus de staatssecretaris.

Deze TIMSS is opgezet door The International Association for the Evaluation of Educational Achievement (IEA). Deze organisatie, die wereldwijd onderzoeksinstituten van overheden en universiteiten verenigt, heeft ambitieuze doelstellingen. Een centraal opgestelde toets, voor scholieren van 13 en 14 jaar in 38 landen, moet objectief vaststellen welke landen achterblijven en waar het exacte onderwijs een hoog niveau bereikt. Naast een toets met opgaven, verdeeld in wiskunde en natuurwetenschappen, zoals biologie en natuurkunde, moeten de kinderen ook vragen beantwoorden over de beleving van het exacte onderwijs.

In Nederland zijn 2.900 scholieren op 126 scholen getoetst. Ze moesten antwoord geven op multiple choice vragen, die volgens de IEA passend zijn bij onderwijsvormen op de wereld. Om dat te garanderen, moesten docenten wereldwijd aangeven in hoeverre zij een opgave `passend' vonden bij hun manier van lesgeven. Daaruit bleek dat de docenten wereldwijd zo'n tachtig procent van de vragen geschikt vonden. Daarmee is de toets wereldwijd equally unfair, zoals de IEA dat noemt.

De resultaten van de toets lijken voor Nederland op het eerste gezicht inderdaad reden tot trots te geven: niet alleen de plaats op de internationale ranglijst, maar ook de behaalde resultaten zelf zijn in Nederland beter dan vijf jaar geleden, toen het onderzoek ook gehouden werd. Bij het wiskunde-onderwijs behaalt Nederland nu een zevende plaats (was negen) en bij het natuurwetenschappelijke onderwijs blijft de fraaie zesde plaats behouden.

De eerste vijf plaatsen zijn, zowel bij de wiskunde- als de natuurwetenschappelijke vakken, voor Oost-Aziatische landen. Singapore, Korea, Japan en Hong Kong scoren hoog. Daarna komen, in de achtervolging, Australië Europese landen als Nederland, Vlaanderen, Slowakije en Hongarije. De Verenigde Staten en Engeland scoren laag, de drie onderzochte Afrikaanse landen Zuid-Afrika, Marokko en Tunesië staan onderin.

Maar wat zegt zo'n ranglijst over de internationale positie van het Nederlandse onderwijs? Hoofdonderzoeker K. Bos van het onderzoekscentrum OCTO van de universiteit Twente, dat het onderzoek in Nederland leidde, waakt voor getallenblindheid. ``Ik was dan ook verbaasd toen het ministerie van Onderwijs zo euforisch reageerde op de positie op de ranglijst.'' In werkelijkheid, zo vindt Bos, is `onze' positie tamelijk willekeurig. ``Ten eerste liggen veel landen relatief dicht bij elkaar. Als we een kleine foutenmarge in acht nemen, verschillen we nauwelijks van zo'n zes, zeven andere landen waar wij nu net boven staan. Als we de toets een dag later hadden gehouden, zouden we voor hetzelfde geld zes plaatsen lager zijn beland. Dan zouden we, volgens de redenering van de ranglijst, dus juist `gezakt' zijn.''

Bovendien is het aantal onderzochte landen (38) niet zo groot. Ter illustratie: Taiwan deed bij TIMSS-1999 voor het eerst mee en belandde prompt boven Nederland. Bos: ``Als er nog meer Oost-Aziatische landen mee zouden doen, zouden die waarschijnlijk óók hoger eindigen.'' Liever zou Bos Nederland plaatsen in een grote groep `volgers' achter de `kopgroep' van Aziatische landen. ``Dat doet meer recht aan de werkelijkheid.''

Om de foutenmarge zo klein mogelijk te houden, waren de deelnemende landen verplicht een responspercentage van 85 procent te halen. Als meer dan vijftien procent van de door de onderzoekers geselecteerde scholen niet op het toetsverzoek zou ingaan, zou de betrouwbaarheid ervan in gevaar komen. In Nederland lukte dat ternauwernood: 126 van de 150 geselecteerde scholen deed mee in andere landen ligt dat percentage veel hoger.

En is het dan wel zo'n goed idee om de resultaten te vergelijken met 1995, het jaar dat de TIMSS in Nederland voor nog veel grotere problemen zorgde? ``In dat jaar was er in Nederland veel kritiek op de toets'', aldus Bos. ``Er zouden te veel reproductievragen (`weetjes') inzitten en weinig begripsvragen, wat niet overeenkomt met het Nederlandse onderwijssysteem. Bovendien waren er toen nog veel grotere problemen om scholen te vinden.''

De meest recente TIMSS zou dus in het voordeel van Nederland moeten zijn, dat volgens Bos verder is met een meer projectmatige aanpak van het exacte onderwijs. ``Hier wordt veel in groepjes gewerkt, juist om kinderen te stimuleren meer over wiskunde en natuurwetenschappen na te denken. Als je het zo bekijkt, valt de groei van de Nederlandse resultaten nog iets tegen.''

Blijft de vraag waarom juist de Oost-Aziatische landen en de volgers, Australië en West-Europa, zo goed presteren. Bos: ``Het Aziatische onderwijs is gericht op het al op zeer jonge leeftijd aanleren van rekenvaardigheden.'' Bovendien zijn de Aziatische leerplannen uitstekend, vindt de Vlaamse onderzoeksleider C. Brusselmans. ``Onze Inspectie wordt er gewoon jaloers op.''

Daar staat tegenover dat Aziatische kinderen het rekenonderwijs weinig waarderen. Logisch, denkt Brusselmans. ``Spelen met wiskunde, creatief met sommetjes omgaan, is hen vreemd. Daar zijn wij in Europa juist weer goed in.'' Dat verklaart ook de lage positie van het Amerikaanse en Engelse exacte onderwijs, aldus Bos. ``Daar wordt nogal traditioneel onderwijs gegeven, wat wij al jaren niet meer doen. Vooral het Amerikaanse onderwijs is gericht op het nadoen van de leraar.'' Brusselmans: ``De centrale Inspectie in Amerika stelt daar veel minder voor dan hier.''

Vlaanderen scoorde bij de TIMSS-1999 opnieuw hoog op de internationale ranglijst. Toch geeft de gedeelde tiende plaats op de natuurwetenschappelijke lijst een vertekend beeld. ``In ons onderwijssysteem komen leerlingen pas erg laat in aanraking met scheikunde'', zegt Brusselmans. Veel vragen hierover konden zij niet beantwoorden.'' Toch heeft een internationale vergelijking zin, vindt de Vlaamse onderzoeker. ``Zo'n ranglijst met stijgen en dalen geeft een bepaalde spanning. Het houdt je als land scherp je onderwijs bij de tijd te houden.''

`spelen met wiskunde is aziatische kinderen vreemd'