Het nut van de broedmachine

Met meer dan drie kinderen ben je of een beetje gek, of buitenlander, of gelovig. Dat ervaren Nell en Theo van der Weide en hun acht kinderen. Lezers reageerden weinig anders. `Hoort Nell thuis in het rijtje van varkensboeren, palingkwekers en kippenfokkers?'

Moet de overheid bijspringen als het gaat om grote gezinnen? H. Verwoerd uit Rotterdam reageert met een wedervraag: Is dat een retorische vraag of moet die serieus worden genomen? `Mijn antwoord is in ieder geval: natuurlijk niet! De belastingbetaler springt al bij vanaf de geboorte van het eerste kind door onder meer de kinderbijslag. Dat dat niet kostendekkend is, doet er niet toe. Een kind op de wereld zetten doe je niet om er financieel beter van te worden.'

Wim Kootstra uit Ommen gaat nog een stapje verder: `Zowel uit milieu als sociaal oogpunt is het onverantwoord om – per stel – meer dan twee kinderen te verwekken. Er zou voor het derde en volgende kind betaald moeten worden, dus zeker geen kindertoeslag. Helaas een gemiste kans in de nieuwe belastingwetgeving.'

Achttien, zeer verdeelde, briefschrijvers reageren op het verhaal van Nell Coumans en Theo van der Weide die een gezin hebben opgebouwd met acht kinderen (Leven voor acht kinderen, Z 2 dec.). De uitspraak van Nell dat zij `straks wel acht waardevolle mensen mensen aflevert' is sommige lezers in het verkeerde keelgat geschoten. `Is Nell een broedmachine voor kinderen? Hoort Nell thuis in het rijtje van varkensboeren, palingkwekers en kippenfokkers', vraagt Hans Pot. `Ook Nell en Theo van der Weide zullen bekend zijn met het overbevolkingsvraagstuk. Moeten ook in Nederland eerst Chinese toestanden ontstaan voordat deze ongebreidelde voortplantingsdrift tot staan wordt gebracht? Elke wereldburger betekent een weer grotere belasting voor de natuur, net zolang tot we er in omkomen.' Deze overweging speelt ook een grote rol voor

T. Cornelissens, afkomstig uit een gezin van acht kinderen. `Je werd met de neus steeds op het feit gedrukt dat je leeft voor je medemens en door je medemens. Om dan te pleiten voor grote gezinnen is wel erg kort door de bocht. Ieder kwartier sterft er een levensvorm uit, voornamelijk door menselijk toedoen. Je hoort vaak dat onze levenswijze tot rampen leidt, maar het gros denkt: wie dan leeft, wie dan zorgt. Eigenlijk belachelijk dat de zorgzaamheid voor ons voortbestaan niet verder gaat dan kinderen.'

Adriana Oliehoek onderstreept in haar brief juist de zorgzaamheid voor de samenleving in de zorg voor kinderen. Liever een liefdevol opgevoed achttal uit één nest dan acht `losse', minder gewenste kinderen. `Als een samenleving gebaat is bij goed opgevoede kinderen, waarom zou ze daar dan niet voor betalen? Waarom is de keuze van ouders voor kinderen een hobby, waarvoor zelf betaald moet worden? Rechters kunnen ouders de voogdij over hun kinderen ontnemen, als zij in hun ogen in zorg tekortschieten. De staat, de samenleving dat zijn wij toch samen?'

Onder een goede opvoeding verstaan Nell en Theo van der Weide vooral het leren van verantwoordelijkheidsgevoel, van geven en nemen, en het `aankweken' van karakter. G. Lierens-Koolmees uit Havelte beaamt dit. In het drukke gezin met acht kinderen, schrijft ze, zijn haar veel sociale vaardigheden bijgebracht. `Het woord `ik' werd bij ons weinig gebruikt, er was altijd `wij'. Wij hadden veel respect voor onze ouders, die erg hard werkten. Vader was bij de post en moeder deed de opvoeding. Als pa 's avonds thuis kwam, ging hij naar bruiloften en partijen want hij was ook nog conferencier. Moeder maakte 's nachts bioscopen schoon, allemaal ten behoeve van het gezin.'

In verscheidene brieven komt ook het plezier aan de orde dat een schare broers en zussen met zich meebrengt. Oeverloze sinterklaasavonden met stapels pakjes en altijd vriendjes over de vloer want `waar er acht kunnen eten, kunnen er ook tien eten'. Gerda Guchelaar-Boessenkool uit Peize schrijft: `Je kon zonder dat je daarvoor vriendjes nodig had verstoppertje spelen, of 's avonds langer opblijven, omdat het niet zo opviel dat je er nog zat.'

Als jongste van acht kreeg iemand die niet met zijn naam in de krant wil er juist drie vaders en vier moeders bij, die vonden dat ze iets over hem te zeggen hadden. `Daar trok ik me van terug, waardoor ik me thuis eenzaam voelde.' Adriana Oliehoek merkt op: `Er was weinig tijd en ruimte voor persoonlijke aandacht waardoor je als kind te weinig eigenheid ontwikkelde. Zo zijn er in ons gezin veel twijfelende en onzekere types.' Een dergelijke ervaring zou de aanleiding kunnen zijn voor de stelligheid van

L. Evers uit Beverwijk, zelf ook een van de acht thuis: `Ik wil de strijd niet aangaan omdat iedereen zelf in dit soort zaken moet kunnen beslissen, maar uit de literatuur is genoegzaam bekend dat het leven in z'n algemeenheid in die grote gezinnen niet bepaald tot grote vreugde stemt bij veel kinderen. Zij piekeren er niet over om zelf zo'n groot gezin te stichten wanneer ze daaraan toe zijn.'

Theo Voors uit Bilthoven schrijft dat van zijn zeven broers en zussen er nu zes zelf een gezin hebben met respectievelijk 3, 4, 2, 4, 3 en 3 kinderen. Uit veel brieven valt te lezen dat de band met het inmiddels uitgevlogen grote gezin nog steeds erg hecht is, maar ook dat er een enorm verschil bestaat tussen grote gezinnen vroeger en nu. Door de veelheid aan anticonceptie is de keuze in deze tijd actief en dus veel controversiëler.

De 23-jarige Nynke van Lingen schrijft: `Of ik bezwaren heb tegen grote gezinnen? Ja. Ik vind het op de konijnen af, wat mijn moeder heeft gedaan. Of ik zelf zes kinderen zou willen? Nee. Maar die vijf broers en zussen, die neemt niemand nog ooit van me af.'

Samenstelling Vera Spaans