Hefboombedrijf

Ook voor een beursgenoteerd bedrijf is het van groot belang om een evenwicht te vinden in de verhouding tussen het eigen vermogen dat wordt gebruikt (het geld van de aandeelhouders) en vreemd vermogen (geld van de bank en van obligatiehouders). Omdat geleend geld meestal minder kost aan rente dan dat ditzelfde geld binnen het bedrijf opbrengt, wordt de bedrijfswinst groter naarmate er meer wordt geleend. (Als er met een gulden van de bank jaarlijks tien cent winst wordt gemaakt, terwijl er zeven cent rente moet worden betaald, blijft er drie cent over die ten goede komt aan de aandeelhouder.) Maar er zit wel een maximum aan de `leencapaciteit', want als er eens geen tien cent maar slecht vijf cent rendement per gulden wordt geboekt, wordt er op elke geleende gulden twee cent verlies gemaakt. Hoe stabieler de inkomstenstroom, des te meer willen banken aan een bedrijf lenen. Maar 70 à 75 procent vreemd vermogen is meestal wel het maximum.

De laatste jaren hebben bedrijven fraaie winsten gemaakt. Meestal zijn die niet aan de aandeelhouders uitgekeerd als dividend, maar gebruikt om schulden af te lossen, overnames te doen, of het werd opgepot. Dat is een veilig idee, maar anderzijds wordt de werking van dat hefboomeffect ook minder. Vandaar dat je vaak ziet dat bedrijven die geen geschikte overnamekandidaten kunnen vinden, een andere manier zoeken om het eigen vermogen te verlagen. Men gebruikt het geld uit de bedrijfskas dan bijvoorbeeld om aandelen van de eigen onderneming op de beurs op te kopen. Daardoor krimpt het eigen vermogen terwijl het vreemd vermogen gelijk blijft. `Inkoop eigen aandelen' heet deze steeds populairder wordende methode.

    • Bert Bakker