Functie van kwaliteitskrant is versterkt

In een tijd dat het barst van de media en er sprake is van een overvloed aan informatie, zijn kwaliteitskranten een onmisbaar baken. Het meest intrigerende dilemma hebben deze kranten echter nog niet opgelost: hoe te voorzien in het gebrek aan Europese berichtgeving en debat, vindt Ben Knapen.

Al honderd jaar lang geldt de krant als het medium dat zijn langste tijd heeft gehad. Dat was zo ten tijde van de opkomst van radio, dat was zo ten tijde van de opkomst van televisie en dat is zo nu internet een hoge vlucht heeft genomen. Vijf jaar geleden nog zei de hoogste baas van chipsfabriek Intel, Andy Grove, dat kranten over vijf jaar dood zouden zijn. Hij had het toen uiteraard niet over Nederland, maar over de Verenigde Staten. Maar zelfs daar ligt het een slagje anders dan de stellige generalisaties doen geloven. De afgelopen tien jaar is de oplage van dagbladen in de VS gestegen met gemiddeld 2,4 procent op jaarbasis. De advertentie-inkomsten groeiden de laatste vijf jaar met gemiddeld 6,3 procent per jaar. De operationele winst van de grootste dagbladuitgevers groeide in diezelfde periode per jaar met 13 procent. En misschien belangrijker: als Andy Grove vandaag moet kiezen of hij aan het internetportal Lycos of aan de The Wall Street Journal een vraaggesprek zal geven, dan kiest hij voor de papieren krant.

In Nederland is het met kranten de laatste tien jaar ook behoorlijk gegaan. De oplages van de meeste landelijke dagbladen stegen, de advertentie-inkomsten zelfs spectaculair. Vanaf 1994 is er een jaarlijkse stijging die lijkt op de Amerikaanse, met een spectaculaire uitschieter naar boven in 1998, toen alleen al de advertentievolumes met ruim twaalf procent stegen. Intussen is dat overigens weer gestabiliseerd.

Kwaliteitskranten zijn alle kranten die niet als yellow press door het leven gaan. Ook delen van de Nederlandse Telegraaf horen daarbij, maar bijvoorbeeld de Bild Zeitung of de New York Post of de Sun weer bijna helemaal niet. Het betreft dus een ambachtelijk onderscheid, zonder kwalitatieve of ethische oordelen. Kwaliteitskranten mikken meer op het hoofd van de lezers, boulevardbladen op het hart of de onderbuik. Een kwaliteitskrant is al sinds jaar en dag en nog steeds een regelrecht baken in een wereld van informatie-overvloed. Het centrum van een moderne krant is een redactie die op grond van deskundigheid, permanent debat en gevoel voor smaak en relevantie elke dag opnieuw probeert alles te bundelen wat men nodig acht om haar publiek bij de wereld om ons heen te betrekken.

De lezers krijgen allen hetzelfde voorgeschoteld en dat is wezenlijk. Want een gezamenlijk platform van debat is in een samenleving onmisbaar om te kunnen discussiëren en keuzes te kunnen maken. De kwaliteitskrant biedt de lezer in de rol van deelnemend staatsburger de ingrediënten om zijn of haar weg te vinden.

Een gangbare stelling luidt dat de journalistiek gevaar loopt in wat dan heet `de sterk vercommercialiseerde omgeving'. Bij kwaliteitskranten ligt dat anders: hier is redactionele onafhankelijkheid juist veel meer een voorwaarde voor toekomstperspectief dan in een verzuilde tijd het geval was. Toen bleef een krant bestaan wanneer hij de boodschap predikte. Nu krijgt een kwaliteitskrant juist voldoende bereik en kan voldoende abonnementsgeld heffen, wanneer de redactie als filter van gebeurtenissen en trends door een voldoende grote en interessante groep lezers als onmisbaar wordt ervaren.

Ook aan adverteerders kan pas dan een behoorlijk advertentietarief worden gevraagd wanneer de bereikskwaliteit goed is. In een samenleving met volwassen burgers is een krant die redactioneel zijn oren laat hangen naar de adverteerder heel gauw dat hoogstaande bereik kwijt, en raakt dan in een neerwaartse spiraal. Onafhankelijkheid is een wezenlijke commerciële sterkte.

De betere journalistieke programma's op televisie missen centrale elementen van kwaliteitskranten en ze kunnen die ook niet hebben. Ze kunnen veel minder onderwerpen aan. Televisie moet vooral `indringend' zijn. Als het om onderwerpenkeuze gaat, vallen ingewikkelde en abstracte thema's bijna altijd af. Deze lenen zich niet voor visualisering of zijn te ingewikkeld. Hetzelfde geldt voor onthullingen – en dan niet verstaan als incidentenprimeurs die overal weleens kunnen neerdwarrelen, maar als uitkomsten van gedegen onderzoeksjournalistiek.

Dit is geen aanklacht tegen informatieve televisiejournalistiek. Televisie zorgt voor prachtige dingen. Momenten worden vastgelegd die geen krant zo pregnant kan brengen of beschrijven – de body language van Kok naast Van Aartsen, de blinde woede van een Palestijnse jongen tegen een Israëlische soldaat, het onbewaakte ogenblik van onze koningin. Maar de functie van een kwaliteitskrant is niet geringer geworden door televisie, maar is eerder versterkt. Er is nog meer behoefte aan een rustpunt en een daarbij horende poging overzicht in de kakofonie aan te brengen.

De journalist van een kwaliteitskrant heeft net als de politicus een verantwoordelijke taak. Het is een mooi vak, maar het schept verplichtingen. Zoals aan de politicus wordt gedelegeerd om in het publieke domein besluiten te nemen, zo wordt aan de journalist gedelegeerd om alles wat hem of haar frappeert te melden, toe te lichten, tegen het licht te houden. De laatste tien jaar heeft zich een explosie aan media voorgedaan – radio, televisie, commerciële zenders, internetsites, life-style-magazines. Het barst verder van infotainment, edutainment, talkshows en andere vormen van vertier waarbij iemand wordt gevraagd toelichting, begeleiding en/of troost te bieden. De ether is vergeven van babbelprogramma's en iedereen die iemand een microfoon onder de neus houdt, noemt zich journalist. Misschien is dat ook wel zo. Maar tegelijkertijd zijn de criteria in de ene omgeving totaal anders dan in de andere.

Dit is niet bedoeld als veroordeling van de meeste van die programma's. Maar het is net als met de Privé en de Story – de criteria van waarheidsvinding, van hoor- en wederhoor en nog wat van die beginselen zijn in zo'n omgeving irrelevant of van een geheel andere orde dan in een kwaliteitskrant. En de lezer zou dat moeten weten. Te weinig wordt onderkend dat journalistiek in kwaliteitskranten een eigen specifieke functie heeft, onderscheiden van die van andere journalistieke omgevingen en platforms.

Zijn er concrete bedreigingen voor kwaliteitskranten? Ja en nee. Het is op de afzienbare termijn in elk geval niet zo dat nieuwe media de krant overbodig maken. Zeker, interactieve communicatie, internet, digitale televisie via set-top-boxes – het heeft allemaal grote voordelen en gevolgen. Het maakt op maat gesneden informatie mogelijk, het maakt personalisatie van nieuws gemakkelijker, het leidt tot verdieping van informatie en het biedt een rijkdom aan digitale archieven waar de gebruiker naar eigen believen snel en efficiënt kan rondwandelen. Maar tegelijkertijd blijft het een andere bezigheid dan lezen, en – belangrijker – het ordenende, wegende, selecterende mechanisme ontbreekt, het filtert niet en biedt dus uiteindelijk ook niet dat samenhangende en met velen gedeelde platform dat een krant is.

Tegelijkertijd zijn nieuwe vormen van communicatie ook wel weer een bedreiging, want uiteindelijk strijd je als journalist ook om de aandacht van de lezer. En daar is wel wat aan de hand. In Amerika vergaart een gemiddelde goed opgeleide burger nu zo'n 170 uur per jaar thuis informatie op internet. Dat staat dan tegenover 150 uur per jaar voor het lezen van een krant en 80 uur per jaar voor het lezen van tijdschriften. Nu gaat dat internetten voor een deel ten koste van televisiekijken, maar het gaat ongetwijfeld ook voor een deel ten koste van het krantenlezen.

De websites van kranten spelen bij internet alles bij elkaar maar een bescheiden rol. In de toptien van websites met informatie en entertainment komt geen krantensite voor. De eerste site, die van USA Today, staat op nummer 35, die van The New York Times op nummer 41. In Europa is het niet anders. Het beeld van kwaliteitskranten in relatie tot internet is dan ook gemengd. Enerzijds doen de kranten het ook hier heel behoorlijk, maar zij hebben kansen gemist. Ten eerste hebben zij hun diepe, langdurige band met de lezer niet weten te vertalen in een band op het internet. Ten tweede hebben zij hun financiële kracht niet versterkt ten opzichte van nieuwe media, en ten slotte hebben zij daarom nog geen solide basis gelegd voor groei in deze nieuwe eeuw.

Dit euvel zou een proces kunnen versnellen dat geheel los van de nieuwe media al tientallen jaren aan de gang is: de `consolidatie' van krantentitels. Vroeger waren er veel meer zelfstandige kranten dan nu. In praktisch alle steden in Nederland is nu sprake van een enkele regionale krant en in de meeste gevallen gaat het dan nog slechts om kopbladen die het regionale nieuws zelf maken en de rest in gezamenlijkheid doen. Bij landelijke kranten heeft zich ook consolidatie voorgedaan. In een ontzuilde samenleving heeft niet iedere stroming en onderstroming nog behoefte aan een eigen spreekbuis, diverse kranten bieden in hun eigen kolommen plaats aan tegengestelde invalshoeken. Bovendien is het maken van kranten zoveel duurder geworden dat met kleine oplages de productieprocessen niet betaalbaar meer zijn.

Dit proces heeft in journalistieke zin nadelen, maar ook voordelen, zowel voor de journalist als voor de lezer. De lezer vraagt nu wat minder een krant die zijn mening bevestigt en meer een krant die een breed en diep aanbod van informatie verschaft. Maar verschraling van het aantal titels is daarvoor dan de prijs. Deze verschraling wordt, curieus genoeg, niet of nauwelijks gecompenseerd door internationalisering. Voorlopig zijn de internationale kaders voor kranten alleen nog maar voorbehouden aan `special interest'-kranten, geschreven in de lingua franca, met een sterkere financieel-economische invalshoek, zoals de Financial Times en de The Wall Street Journal. Andere grensoverschrijdende kranten zijn marginaal – zoals de onvolprezen International Herald Tribune – of zij redden het niet, zoals The European.

Hier raken we het meest intrigerende dilemma van kwaliteitskranten: hoe voldoen zij aan hun taak binnen de nieuwe ruimte die bezig is te ontstaan en die geen binnenland meer is en ook nog geen buitenland, namelijk Europa. Het aantal politieke, maatschappelijke en economische terreinen met een Europese dimensie is de laatste tien jaar snel toegenomen – deels door Brussel, deels ook door de onvermijdelijkheid van grensoverschrijdend handelen en communiceren in deze tijd. Maar terwijl zich in Europa een economische, politieke en in groeiende mate ook sociale ruimte begint te ontwikkelen, heeft de weerspiegeling daarvan in kwaliteitskranten nog in een strikt nationale context plaats. In sommige landen is er een debat over Europa, maar er is geen Europees debat. Het debat over foulards – hoofddoekjes – en het openbaar onderwijs gaat over Franse scholen en zie je in de kolommen van Le Monde. Het debat over Leitkultur gaat over de CDU en staat in Duitse kranten en het debat over integratie en assimilatie staat soms in Nederlandse kranten en gaat over Haags overheidsbeleid. Maar het is geen Europees debat, terwijl het wel een Europees politiek thema is, waarbij nationale oplossingen broos zijn geworden. Intellectuelen, belangengroepen of politieke stromingen vechten niet binnen een Europese context met elkaar om het publiek te overtuigen.

Als er een vorm van pluriformiteit is waarvan het gemis zorgelijk stemt, dan in deze context. Thorbecke noemde de krant ooit het vehikel van de natie voor de omgang met zichzelf. Maar hoe zit dat met kranten wanneer we veel minder natie hebben en de omgang met onszelf zich meer en meer op een Europees veld afspeelt? Een oplossing daarvoor is er niet. Europa is nog geen binnenland en dat kunnen kranten er ook niet van maken. Hooguit is het te hopen dat nationale kranten deze leemte enigszins kunnen en durven opvullen – al blijft dat altijd behelpen.

Ben Knapen is lid van de Raad van Bestuur van PCM. Bovenstaande tekst is een bewerkte samenvatting van zijn voordracht bij het vierde lustrum van de Fontys Hogeschool voor Journalistiek.