Een treurige geschiedenis

De gemeente Rotterdam heeft jarenlang geprobeerd de oprichting van een moslimschool voor voortgezet onderwijs tegen te gaan. Uiteindelijk, na veel gechicaneer, heeft zij haar verzet moeten opgeven. De school is er, de belangstelling ervoor blijkt overweldigend, maar het is allesbehalve een succes. Wat is er gebeurd?

Bij de oprichting van een nieuwe school wordt in de regel gekozen voor geleidelijke groei. Begonnen wordt met alleen een brugklas, waarna successievelijk de hogere klassen volgen. Eerst bijvoorbeeld alleen havo en atheneum, later ook een mavo- of gymnasiumafdeling. Ze groeien eerst naar boven en vervolgens in de breedte. Het aantal leraren en leerlingen nemen beiden geleidelijk toe.

De moslimschool in Rotterdam heeft de zaken heel anders aangepakt. Die begon met alle klassen in één keer. Klas 1 tot en met 6. Totaal 300 leerlingen, waarvan de helft brugklassers. De rest was verdeeld over de vele andere klassen. Dat kon natuurlijk nooit goed gaan: al die leerlingen van verschillende niveaus die bovendien zoal hun eigen redenen hadden om van school te veranderen.

De keuze voor deze onmogelijke aanpak schijnt alles te maken te hebben met de voorzitter van het bestuur die wilde dat zijn eigen kinderen in de hogere klassen konden instromen. Die voorzitter bestuurt de school bovendien op een wijze die in de voetballerij gewoon is, maar daar buiten toch heel apart. Zo heeft hij al na enkele maanden de trainer, in casu de rector, naar huis gestuurd. Die pakte de spelers verkeerd aan, de opstelling deugde niet, kortom, de voorzitter, van beroep rijlesinstructeur, ging op de stoel zitten van de rector.

Volop belangstelling en toch loopt het verkeerd. De reden van die belangstelling is gelegen in de achtergrond van een deel van de allochtonen die vinden dat de Nederlandse scholen niet goed aansluiten bij hun levensstijl, waarden en normen. Zij willen een school die aansluit bij wat zij belangrijk vinden. In plaats van dit verlangen te steunen hebben we dat steeds tegengewerkt. Als dan na lang politiek en juridisch getouwtrek blijkt dat dit niet langer kan worden tegengehouden, hebben de initiatiefnemers het vertrouwen in instanties natuurlijk al lang verloren. Ze vragen niemand advies, gaan het allemaal zelf uitzoeken en pakken het dus verkeerd aan.

De bestaande christelijke en katholieke scholen zijn indertijd opgericht door besturen die veelal bestonden uit notabelen. Die konden dankzij hun relaties de voorwaarden scheppen die maakten dat hun initiatief van alle kanten werd gesteund. Ook beschikten zij over een kader dat dezelfde opvattingen was toegedaan. Bestuur, directie en leraren handelden eensgezind vanuit dezelfde levensbeschouwing. Dit betekent overigens niet dat die besturen zich altijd op gepaste afstand hielden van de dagelijkse gang van zaken op school. Zo herinner ik me dat we op een dag op de lagere school een liedje leerden dat in geen boekje voorkwam. De frater schreef de tekst op het bord. De eerste zin van het eerste couplet luidde: `Stem nummero één van lijst één'. De naam van een zekere Romme kwam er veelvuldig in voor. Het idee om via de kindertjes de ouders te bewegen op de KVP te stemmen zal ongetwijfeld op hoog niveau zijn uitgebroed, maar daar had niemand moeite mee aangezien het hoofd der school en zijn onderwijzers dit initiatief van harte ondersteunden en dus eensgezind uitdroegen. En zo klonk het in de hele school uit talloze kinderkeeltjes: `Stem nummero één van lijst één'.