Antropologen op oorlogspad

De antropoloog Napoleon Chagnon heeft geen mazelen verspreid onder de Yanomami. Die beschuldiging door Patrick Tierney is onterecht. De vraag is wel hoe betrouwbaar Chagnons beeld van de oorlogszuchtige Amazone-indianen is.

De Yanomami-indianen in het Amazone-oerwoud zijn nu ruim een kwart eeuw wereldberoemd. Sinds de Amerikaanse antropoloog Napoleon Chagnon in 1964 hun dorpen binnenstapte, zijn ze uitputtend onderzocht, ondervraagd, gefotografeerd en gefilmd. Met de wereldwijde zorg om het lot van inheemse volken en het tropisch regenwoud, werden ze een cause célèbre, aan de borst gedrukt door actiegroepen, milieubeschermers en beroemdheden als de rockster Sting.

Dat ze tot de verbeelding spraken, was voor een groot deel het werk van Chagnon. Zijn boek Yanomamö (1968) werd een antropologische klassieker die hem even beroemd – en later omstreden – zou maken als Margaret Mead. Hij beschreef zijn kennismaking met hen als volgt. ``Ik zag een dozijn naakte, zwetende, afzichtelijke mannen ons aanstaren langs hun pijlen. Ze hadden grote plukken groene tabak tussen hun tanden, waardoor ze er nog afzichtelijker uitzagen. Slierten groen slijm dropen uit hun neusgaten.'' Chagnon had de indianen verrast tijdens een ritueel met hun drug ebene.

Veertig jaar later ziet de toekomst van `zijn' indianen er somber uit. Na de goudkoorts die in 1987 uitbrak op de grens van Venezuela en Brazilië, dreigen de circa 25.000 Yanomami onder de voet te worden gelopen door goudzoekers, militairen en avonturiers. De brute moord op een groep Yanomami in 1993 wekte internationale beroering. Beide landen hebben reservaten ingericht voor de indianen, maar hun cultuur is in hoog tempo aan het verdwijnen.

Het is een drama waaraan ook de wetenschap schuld heeft, meent de Amerikaanse activist voor inheemse rechten Patrick Tierney. Van zijn hand verscheen onlangs een journalistiek boek (Darkness in El Dorado) dat spectaculaire aanklachten bevat tegen antropologen als Chagnon, en waarover al sinds eind september grote commotie is ontstaan in de Amerikaanse wetenschappelijke wereld. De Amerikaanse Antropologische Vereniging heeft drie task forces ingesteld om de aantijgingen te onderzoeken, na te gaan of de ethische richtlijnen voor antropologen nog afdoende zijn, en om de positie van de Zuid-Amerikaanse indianen nader in kaart te brengen. De universiteiten van twee aangeklaagde wetenschappers, die van Santa Barbara en Michigan, zijn eigen onderzoeken begonnen. Zelfs de doorgaans soevereine National Academy of Sciences mengde zich in het rumoer, om in een vernietigend rapport te melden dat belangrijke delen van Tierney's boek `misleidend of aantoonbaar onjuist' zijn.

epidemie

Tierney's beschuldigingen liegen er dan ook niet om. Chagnon, die de Yanomami beroemd maakte als een volk dat oorlog voerde om vrouwen, zou de `woeste' Yanomami vooral naar zijn eigen masculiene zelfbeeld hebben geschapen. Hij zou met zijn activiteiten onbedoeld ziektes hebben verspreid onder de indianen, en onderlinge conflicten hebben bevorderd door zijn gewoonte machetes en andere goederen uit te delen, en de indianen te betalen voor genealogische informatie. Met de Amerikaanse geneticus James Neel zou hij bovendien – Tierney's meest geruchtmakende aantijging – in 1968 bij een vaccinatie tegen mazelen een epidemie onder de Yanomami hebben veroorzaakt, wellicht met het oogmerk Neels `eugenetische' theorieën te testen, waarbij `honderden, mogelijk duizenden' indianen om het leven kwamen.

Neel is vorig jaar overleden, maar Chagnon heeft de beschuldigingen woedend van de hand gewezen als een persoonlijke vendetta van zijn vijanden. Nog vóór publicatie van het boek brachten twee bekende Chagnon-critici, de antropologen Terry Turner en Leslie Sponsel, de bal aan het rollen door de Vereniging van Antropologen per email te attenderen op `het naderende schandaal'. De twee (die met een aanbeveling op de achterflap van Tierney's boek staan) spraken van wangedrag dat `het voorstellingsvermogen van zelfs een Joseph Conrad te boven zou gaan (hoewel misschien niet dat van een Josef Mengele)'. De email lekte uit, suisde de wereld rond en sindsdien is het niet meer stil geweest rond Darkness in El Dorado.

Het boek is inderdaad bepaald geen zakelijke uiteenzetting over een controversiële onderzoeker. Tierney (46), die naar eigen zeggen zo begaan was met het lot van de indianen dat `traditionele, objectieve journalistiek' voor hem `geen optie meer was', presenteert een doldrieste complottheorie die in de paranoïde tv-serie The X-Files niet zou misstaan. Neel en Chagnon waren volgens hem reactionaire Koude Oorlogs-denkers die de morele verloedering van Amerika in de jaren zestig een halt wilden toeroepen met sociobiologische theorieën over genetisch verankerd geweld en mannelijk leiderschap. In het slothoofdstuk koppelt hij Chagnon en Neel, wiens onderzoek werd gesponsord door de wegens heimelijke experimenten op mensen in opspraak geraakte Atomic Energy Commission, aan een netwerk van wetenschappelijke hardliners met een verborgen maatschappelijke agenda.

Een keiharde tegencampagne van Chagnon en diens sympathisanten heeft Tierney de afgelopen weken in de verdediging gedrukt, ondanks tamelijk welwillende besprekingen van zijn boek in de New York Times en de Los Angeles Times. Volgens antropologen als Kim Hill, een deskundige op het gebied van Amazone-indianen, en John Tooby, hoogleraar evolutionaire psychologie aan Chagnons universiteit van Santa Barbara, is het boek een web van leugens en bedrog. Tooby heeft op internet een voorlopig rapport van zijn universiteit gepubliceerd, dat ontlastend is voor Chagnon

Van de zwaarste verdachtmaking – de besmetting met mazelen – is inmiddels niets over. Epidemiologen hebben Tierney's speculaties van de hand gewezen als absurd. Nadere informatie wijst erop dat in het territorium van de Yanomami al mazelen heerste maanden vóórdat Neel en Chagnon er aankwamen. Eén van de twee antropologen die aan de bel trokken voordat het boek verscheen heeft inmiddels bakzeil gehaald. De passages in het definitieve boek over de epidemie zijn ook heel wat minder stellig dan de email deed voorkomen. Tierney zelf houdt vol dat er `iets geheimzinnigs' aan de hand is geweest. Hij vindt het `jammer' dat de aandacht in de media zozeer uitgaat naar de mazelen-epidemie: zijn boek is immers veel breder.

Dat is zeker waar. Tierney behoort tot de wetenschapscritici die in klassieke etnografie zoals Chagnon die bedreef een vehikel zien van kolonialisme en imperialisme, een verwijt waarvoor de antropologie altijd gevoelig is geweest. De affaire rond Margaret Mead heeft die discussie halverwege de jaren tachtig nieuw leven ingeblazen. Volgens haar criticus Derek Freeman (zie: The Making of an Anthropological Myth, 1983, en The Fateful Hoaxing of Margaret Mead, 1999) was de seksuele idylle die Mead op Samoa beschreef vooral ontsproten aan haar eigen brein en de bereidheid van haar informanten haar te vertellen wat ze wilde horen. Chagnon, aldus Tierney, deed hetzelfde met de Yanomami: hij wilde een woest volk, en creëerde er één. Instemmend citeert Tierney de antropoloog Jeffrey Rifkin, die het fotograferen, nummeren en bloedmonsters nemen van de Yanomami bestempelt als `geritualiseerde inscripties van de veroveraar op het lichaam van een onderworpen primitieve.'

De kracht van Darkness in El Dorado ligt in dit beeld van antropologen die de marktwaarde van inheemse volken exploiteren, hen degraderen tot poster people en in het oerwoud God komen spelen. Chagnons Franse collega Jacques Lizot maakte volgens Tierney `zijn' dorp tot een homoseksueel bordeel, waar geparfumeerde Yanomami-jongens hem seksueel van dienst waren in ruil voor goederen. Een Duitse antropoloog pleegde zelfmoord in het oerwoud. Een tweede Fransman werd geëvacueerd nadat hij bijna een collega had vermoord. Eén van Tierney's bronnen voor dit lugubere tableau – dat nadrukkelijk lijkt op Joseph Conrads Heart of Darkness en de Vietnam-film Apocalypse Now – is Jesús Cardozo, voorzitter van de Venezolaanse Vereniging van Antropologen. De buitenlanders `hadden allemaal hun eigen feodale rijkje', zegt hij. ``Er werden dorpen genoemd naar Lizot en Chagnon, alsof ze grote Yanomani-leiders waren.''

Chagnon – het archetype van de etnograaf die met recorder en bloknoot in een dorp neerstrijkt om eigenhandig een complete stamcultuur in kaart te brengen – is al jaren een dankbaar object voor zulke kritiek. Ook zijn medestander Kim Hill erkent dat Chagnons gedrag bij de indianen soms getuigde van culturele ongevoeligheid, al lijkt zijn onderzoek nog steeds solide. Over het observer effect – de invloed van de waarnemer op zijn omgeving – maakte Chagnon zich in elk geval weinig zorgen. Hij betaalde informanten, deelde goederen uit, en vervoerde krijgers op oorlogspad in zijn motorboot. Later, toen hij een beroemdheid was geworden, dreunde hij per militaire helikopter over de dorpen, en mengde zich als zaakwaarnemer van de indianen in allerlei politieke intriges. Anderzijds, hoe doe je dan onderzoek in een wetteloos oerwoudgebied? Verdedigers van Chagnon hebben opgemerkt dat zijn gedrag juist gunstig afstak bij dat van overheidsfunctionarissen, goudzoekers en andere avonturiers.

geweld

Vooral Chagnons conclusies over de rol van geweld onder de Yanomami zijn veelvuldig gekritiseerd. De controverse barstte pas goed los, toen hij in een artikel uit 1988 een correlatie vond tussen krijgssucces onder Yanomami-mannen en nageslacht: unokais (mannen die hadden gedood) hadden aanzienlijk meer vrouwen en kinderen, dan niet-unokais. Oorlog, en doden, diende dus de reproductie. Chagnon erkende inmiddels dat het geweld onder de Yanomani niet uitzonderlijk was voor een tribale samenleving, maar zag dat juist als een ondersteuning van zijn onderzoek. Hij kreeg bijval van de sociobioloog E.O. Wilson en de zoöloog Richard Dawkins, die vonden dat zijn tegenstanders een karikatuur maakten van zijn werk. In de aanvallen op Chagnon zagen zij vooral een politiek correcte onwil om onwelgevallige conclusies over inheemse stammen te accepteren. Chagnon zelf voelde zich belaagd door `marxisten' en softe antropologen die hun geloof in de `nobele wilde' van Rousseau niet wilden opgeven. De kwestie werd zo onmiddellijk ingelijfd in de aanhoudende loopgravenoorlog tussen nature en nurture in de sociale wetenschappen.

Chagnons bemoeienissen met de politieke intriges in het Amazone-gebied hebben hem nog meer vijanden opgeleverd, en volgens Tierney vooral de verkeerde vrienden: een `boevengalerij' van `ecologische profiteurs en economische gangsters'. Na de goudkoorts in het Amazone-gebied kreeg Chagnon het aan de stok met actiegroepen en met de katholieke missionarissen in het gebied, die hij ervan beschuldigde een `theocratie' te willen vestigen en wier posten volgens hem overslagplaatsen werden van besmettelijke ziekten. Chagnon zelf gaat in de vijfde editie van Yanomamö (1997) in op het gekonkel. Het hoge profiel van de Yanomami, schrijft hij, heeft geleid tot `een competitie tussen allerlei belangengroepen, zendelingen, actiegroepen, milieu-activisten, antropologen en overheidsinstanties. Het doel lijkt het alleenrecht te winnen om op te treden als vertegenwoordiger van de Yanomami en het krediet op te eisen hen te hebben `gered'.' Het is precies waar Tierney hém van beticht.

gedateerd

Nederlandse antropologen hebben Tierney's boek nog niet gelezen, maar kennen het werk van Chagnon. Dat doet wat gedateerd aan, zegt hoogleraar antropologie J. Tennekes van de Vrije Universiteit. ``De antropologie is nu veel minder gericht op zulke stam-samenlevingen. We zijn veel meer bezig met mondiale structuren, en met de interne variatie van samenlevingen en culturen. Eigenlijk is het hele begrip `cultuur' omstreden geraakt, het idee dat je een samenleving in je eentje als gesloten totaalsysteem kunt bestuderen.'' En de Utrechtse hoogleraar A. Ouweneel, gespecialiseerd in indiaanse antropologie: ``Ik geloof dat zijn veldwerk wel volgens de regels is gedaan. Over zijn conclusies kun je twisten. Het probleem is dat je zijn onderzoek onmogelijk kunt overdoen, omdat de indiaanse bevolking niet meer in zo'n geïsoleerde omgeving bestaat.''

En de Yanomami? Met uitzondering van hun zelfbenoemde woordvoerders zijn die vreemd genoeg de grote afwezigen in Tierney's boek, zoals een recensent heeft opgemerkt. Hij bestrijdt alles wat Chagnon over hen heeft beweerd, maar een eigen kijk op hun cultuur ontwikkelt hij niet; ze blijven slachtoffers die niet bestudeerd, maar `geholpen' moeten worden. Dat maakt hen tot merkwaardig kleurloze pionnen in een schaakspel van westerse wetenschappers. Ook bij déze zaakwaarnemer trekken ze zo aan het kortste eind.

Patrick Tierney: Darkness in El Dorado. How Scientists and Journalists Devastated the Amazon. Norton, 417 blz. ƒ82,45

Napoleon A. Chagnon: Yanomamö (5e editie). Harcourt Brace 1997 280 blz. ƒ80,

Een goed overzicht van de polemiek is te vinden op www.anth.uconn.edu/gradstudents/dhume. Chagnon heeft een eigen website, www.anth.ucsb.edu/chagnon.html