Zoektocht naar het Midden

De Fransman Victor Segalen is in Nederland nauwelijks bekend, al vertaalde Slauerhoff een van zijn gedichten. Net als Slauerhoff was Segalen arts en dichter, met een passie voor het Verre Oosten. Een nieuwe vertaling en een tentoonstelling doen hem eindelijk recht.

In 1974 verscheen, van de hand van een zekere Simon Leys, Ombres chinoises (Chinese schimmen), een pijnlijke steen in de toen nog grote en diepe linkse vijver. In dit boek werd geen spaan heel gelaten van voorzitter Mao, van diens Culturele Revolutie en van de westerse fellow travellers, die zich moedwillig hadden laten gebruiken om de recente gruwelen van de volksrepubliek voor het Europese en Amerikaanse publiek verborgen te houden. Tot in Nederland toe waren felle debatten tussen voor- en tegenstanders het gevolg.

Simon Leys bleek in werkelijkheid Pierre Rijckmans te heten, een Belgische sinoloog die in Hongkong had gedoceerd en als cultureel attaché verbonden was geweest aan de Belgische ambassade te Peking. Zijn pseudoniem had hij ontleend aan René Leys, een in 1922 postuum gepubliceerde roman van de Franse schrijver en dichter Victor Segalen (1878-1919). Wie deze Segalen was geweest, dat wisten destijds maar weinigen in Nederland. Hoogstens zal sommige bewonderaars van Slauerhoff een licht zijn opgegaan; zij herinnerden zich wellicht de naam uit de bundel Yoeng Poe Tsjoeng, waarin onder de titel `Aan den reiziger' een gedicht van Segalen in een – zeer vrije – vertaling is opgenomen.

Rijckmans had zijn pseudoniem niet toevallig gekozen. In Segalens roman is René Leys, zoon van een Belgische kruidenier, een jongeman die pretendeert over intieme kennis te beschikken van wat er omgaat in de Verboden Stad, het keizerlijke centrum van Peking. De roman speelt zich af in het revolutiejaar 1911, toen het eeuwenoude keizerrijk in een republiek werd veranderd. De communistische heilstaat van Mao zou nog meer dan dertig jaar op zich laten wachten, maar al die eerste revolutie kon in Segalens ogen geen genade vinden.

De revolutionairen werden gedreven door de slogans die sinds 1789 in het westen de kranten vulden, schreef hij vol verachting in een brief: `Rechten van het volk, socialisme, Universeel Geluk. Onnodig te zeggen dat ik, oprecht en volledig, partij heb gekozen voor de dynastie. Niet dat de Mantsjoes mij bijzonder aan het hart gaan. Maar het zou jammer zijn als de bewonderenswaardige fictie van de Keizer, Zoon van de Zuivere Soevereine Hemel verloren ging. Als dat verdwijnt, ontstaat een grote leegte'. De republiek die ervoor in de plaats kwam, vreesde hij, zou nog erger zijn dan `de vakbond van de arbeiders van de arsenalen van Brest voor wat betreft de vulgariteit van haar programma's, haar naïviteit en haar professionele domheid'.

Een vooruitziende blik? Segalen, die in 1878 in Brest was geboren, keek eerder achterom. Wat hij betreurde was het verdwijnen van de authentieke Chinese beschaving. Ondanks zijn aristocratisch en antidemocratisch ethos had hij nauwelijks politieke belangstelling; het ging hem om esthetiek, om een bepaald beeld van de wereld, dat door westers imperialisme en politiek evengoed als religieuze bekeringsdrang in gevaar dreigde te komen.

Het sleutelwoord in het denken en schrijven van Segalen luidt: `exotisme'. Gewoonlijk wordt exotisme geassocieerd met de hang naar tropische, oriëntaalse verten, vreemde volken en culturen, die de westerse reiziger of estheet exquise geneugten beloven. Bij Segalen krijgt het een andere betekenis. Hem gaat het niet zozeer om de betekenis van de vreemde omgeving voor de westerling, maar omgekeerd, om de betekenis van de westerse invloed op de vreemde omgeving.

Dat hij die invloed niet positief waardeerde, blijkt uit zijn eerste boek Les immémoriaux (De onheuglijken), dat hij in 1907 onder pseudoniem publiceerde. Vanuit inheems gezichtspunt beschrijft Segalen hoe aan het begin van de negentiende eeuw de Maori-cultuur op Tahiti ten onder is gegaan, nadat Britse zeelieden en zendelingen er voet aan wal hadden gezet.

Toen hij zelf in 1903 op Tahiti arriveerde (net als Slauerhoff had Segalen medicijnen gestudeerd; hij werkte als arts voor de Franse marine), was er van de oorspronkelijke Maori-cultuur niet veel meer over. Zijn boek is een historische reconstructie, op grond van eigen onderzoek ter plekke en een grondige kennis van de etnologische literatuur. De literaire vonk kwam van Paul Gauguin, die kort na Segalens komst op Tahiti overleed op het eiland Hiva-Oa. Segalen wist enkele schilderijen en diverse tekeningen uit diens nalatenschap te bemachtigen, en pas die maakten het hem naar eigen zeggen mogelijk echt tot de verdwenen cultuur van de Maori door te dringen. Wat Gauguin had gedaan als schilder, wilde hij navolgen als schrijver.

Les immémoriaux heeft een melancholiek thema. De ondergang van de Maori-cultuur krijgt de trekken van een onafwendbaar noodlot. Want Segalen geeft de schuld niet alleen aan de blanken, het verval blijkt ook in die cultuur zelf besloten te liggen. Een cultuur zonder schrift, die het moet hebben van de orale traditie en dus van het geheugen. Juist dat blijkt te falen, wanneer de hoofdpersoon van het boek, de ijdele en opportunistische priester Terii, zich tijdens een religieuze plechtigheid delen van de traditionele litanie van goden en voorouders niet meer kan herinneren.

Segalen doet zijn best de vreemdheid van de Maori-wereld zo goed mogelijk te laten uitkomen. Het boek ontleent er zijn betoverende, maar niet altijd even gemakkelijke aantrekkingskracht aan. In tegenstelling tot veel andere auteurs van `exotische' literatuur, gaat de schrijver nergens hinderlijk voor het beeld staan. Toch is het onmiskenbaar ook een zeer persoonlijk boek.

In de seksuele vrijmoedigheid van de Maori (die overigens niet zoetsappig worden beschreven, getuige hun wrede mensenoffers waarbij de ogen van de slachtoffers de goden als voedsel worden aangeboden) bezingt Segalen heimelijk het gevoel van bevrijding, dat het verblijf op Tahiti hemzelf had bezorgd. Een bevrijding uit de knellende banden van het katholicisme, waarin hij door zijn ouders was opgevoed. `Tijdens mijn twee jaar in Polynesië heb ik slecht geslapen van vreugde', schreef hij later – onbedoeld dubbelzinnig – in een brief.

De ervaringen op Tahiti hadden hem geleerd dat hij niet voor vroomheid of ascese in de wieg was gelegd. De consequenties die hij hieraan verbond, gingen echter veel verder. Culturen, vond hij, konden beter onvermengd blijven, opdat de heilzame schok van het vreemde niet verloren ging. Hetzelfde standpunt werd destijds in Frankrijk verdedigd door een xenofobe nationalist als Maurice Barrès. Bij Segalen was het motief alleen niet zozeer het behoud van het eigene, als wel het behoud van het vreemde, of algemener: van de verscheidenheid.

Ziedaar de nieuwe inhoud die Segalen geeft aan het exotisme, door hem gedefinieerd als `een esthetiek van de verscheidenheid'. Wat de wereld mooi en waardevol maakt, dat is het `verschil'. In de aantekeningen voor een nooit voltooid Essai sur l'exotisme (de eerste notitie stamt uit 1904, toen Segalen op terugreis naar Frankrijk met zijn schip voor Java lag) zou hij deze gedachten nader uitwerken.

Verscheidenheid ziet Segalen overal, niet alleen in rassen en volken of in geografisch opzicht. Hij erkent ook een exotisme in de tijd, in de natuur, in de seksen (vandaar zijn afkeer van het feminisme, dat het verschil tussen man en vrouw juist wil opheffen), en op een meer `essentieel' niveau is er tenslotte het verschil tussen object en subject. Zijn uitgangspunt is dan ook, hoe het paradoxaal het mag schijnen, een `absoluut subjectivisme'. De ware `exoot' (een door Segalen geïntroduceerd neologisme) is een individualist, die door de confrontatie met `het Andere' zijn eigen persoonlijkheid uitbreidt en verrijkt. Hoe sterker de persoonlijkheid, des te heviger de `sensatie' die het exotisme iemand kan geven.

Segalens cultus van de verscheidenheid, die bijna postmodern aandoet (inclusief het daarbij behorende cultuurrelativisme), had alles te maken met zijn bewondering voor de nu vrijwel vergeten filosoof Jules de Gaultier, in Frankrijk een van de eersten die het denken van Nietzsche serieus namen. Zijn eigen exotisme was een uitwerking van wat Gaultier `Bovarysme' had genoemd: het vermogen van de mens om, net als de heldin van Flauberts roman, zichzelf als anders te begrijpen dan hij is. Voor Gaultier was dat geen reden tot treurnis, integendeel, hij zag er juist een bron in van energie en creativiteit. Net zo zag Segalen de alomtegenwoordige verscheidenheid van de wereld als een kans tot verheviging, tot intensivering van het bestaan.

Niets vreesde hij zozeer als de `lauwe pap' van de homogeniteit, die de Vooruitgang over de wereld dreigde uit te storten. Tegen deze dreiging kwam hij in het geweer, als dichter en als visionair. Dichters en zieners hadden altijd al oog gehad voor de mysterieuze diepten van het bestaan, en ook het `mysterie' was voor Segalen een vorm van exotisme. Zonder hieraan enige religieuze, laat staan dogmatische consequenties te verbinden, zocht hij in de wereld naar een `arrière-monde', waartoe alleen de verbeelding toegang kon verschaffen.

Maar de verbeelding, op een voetstuk geplaatst door de symbolisten van wie Segalen zijn eerste literaire invloeden had ontvangen, kreeg voor hem pas waarde en betekenis dankzij de confrontatie met de werkelijkheid. Het `imaginaire paleis' (zoals het heet in zijn onorthodoxe reisboek Equipée) moest op de realiteit veroverd worden. Het land waar Segalen dat met het meeste succes heeft geprobeerd, werd China, het Rijk van het Midden, een `werkelijkheid' die al meer dan vierduizend jaar had stand gehouden.

In 1909 kwam hij er voor het eerst, na in Frankrijk de taal te hebben geleerd. Hij ondernam er expedities in het binnenland, deed archeologisch onderzoek, werkte als arts en liet zijn literaire verbeelding stimuleren door het `visioen van China' dat hij in zich meedroeg. Zijn mooiste boeken, René Leys, Le Fils du Ciel, Equipée, Peintures en Stèles zijn zo ontstaan. Van deze boeken werden alleen de beide bundels prozagedichten Stèles en Peintures tijdens zijn leven gepubliceerd, respectievelijk in 1912 en 1916. De overige titels moesten postuum verschijnen, nadat Segalen in 1919 tijdens een wandeling in het Bretonse woud van Huelgoat onder raadselachtige omstandigheden was overleden, eenenveertig jaar oud.

Van Stèles is nu een prachtige Nederlandse vertaling verschenen, een knappe prestatie van Maarten Elzinga, die ook de kleine maar precieuze tentoonstelling over Segalen heeft ingericht in het Amsterdamse Maison Descartes. Naast foto's, handschriften en eerste drukken kan men er een gipsen afgietsel bewonderen van de stèle, de rechtopstaande Chinese grafsteen die Segalen tot voorbeeld nam voor het curieuze formaat van zijn boek. Alleen de reusachtige schildpad, de sokkel van deze stenen tafel met inscriptie, heeft de gang van Parijs naar Amsterdam niet gehaald.

Het zijn bevreemdende teksten, die je leest zoals een wandelaar voorbij moet zijn gegaan aan de her en der in het Chinese landschap opgestelde stèles. In het voorwoord schrijft Segalen: `Ze geven een feit, een wil, een aanwezigheid aan en dwingen, oog in oog, tot staan. Zij alleen, in de bouwvallige wankeling van het Rijk, getuigen van stabiliteit'. Hetzelfde geldt voor deze prozagedichten, ook stèles genaamd, afgedrukt binnen een zwart omlijnd kader, voorzien van Chinese karakters en geschreven in een strenge vorm. Alleen al de bladspiegel oogt raadselachtig, ongenaakbaar, als een bijzonder `moment' dat in woorden is vereeuwigd. Ook de vele verwijzingen naar de Chinese geschiedenis, mythologie en literatuur (waarvan Elzinga in zijn aantekeningen en nawoord het nodige opheldert) lijken de niet ingewijde lezer op afstand te willen houden.

Op het eerste gezicht is het alsof Segalen zich volledig met de vreemde Chinese werkelijkheid heeft vereenzelvigd. Maar dat blijkt toch niet de bedoeling. In een brief aan Gaultier schrijft hij de stèles alleen te hebben gekozen vanwege hun `vorm', hij beschouwde ze zelfs als `een nieuw literair genre' dat ook los van de `Chinese' inhoud bruikbaar zou zijn. China, het beeld van het Rijk, benutte hij alleen om zichzelf uit te drukken.

De prozagedichten zijn dus een vorm van exotisme in actie, zoals Segalen dat opvatte: een verrijking van de eigen persoonlijkheid. En tegelijkertijd een dieptepeiling daarvan, al moeten we hierbij niet denken aan een simpele autobiografische exercitie. De `reis in de diepte van het zelf' (Equipée) herinnert eerder aan het program dat de Duitse romanticus Novalis ooit in één zin samenvatte: `Nach Innen geht der geheimnisvolle Weg'.

Het belang van de werkelijkheid, ook de Chinese, wordt al meteen in de eerste stèle (`Zonder stempel van de regering') gerelativeerd: `Achtgevend op wat onuitgesproken bleef; onderworpen door wat nooit werd uitgevaardigd; neergeknield in de richting van wat nog niet was / Wijd ik mijn vreugde, mijn leven en mijn vroomheid aan het verkondigen van heerschappijen zonder jaren, van dynastieën zonder troonsbestijging, van namen zonder personen en personen zonder naam'.

Dat neemt niet weg dat in de verschillende stèles, al naar gelang de richting waarin ze staan opgesteld, ook allerlei reële zaken aan bod komen. In de stèles die naar het Zuiden staan, zijn dat de decreten van de keizer, in die naar het Noorden de vriendschap, in die naar het Oosten de liefde, in die naar het Westen de oorlog en de heldhaftigheid. De bundel wordt echter besloten door een reeks stèles die `het Midden' aangeven. Na alle windrichtingen te hebben verkend, duikt de dichter de diepte in, om `dat andere te bereiken, het vijfde, kern en midden,/ Dat mij is'.

Het meest raadselachtig is nog de laatste stèle van het boek, die `Verborgen naam' heet. Hier lezen we hoe de `werkelijke' naam verborgen blijft en zich alleen, heel even, onthult op momenten van zeldzame droogte: `Wanneer de leegte gaapt in het hart van de onderaardse ruimten en in de onderaardse ruimten van het hart, – waar het bloed zelf niet meer rolt –, onder het dan toegankelijke gewelf laat zich de Naam aflezen. / Maar mogen de harde wateren smelten en het leven buiten de oevers treden, kome de allesverwoestende stortvloed, liever nog dan de Kennis!'

Het raadsel neemt de vorm aan van een paradox, want de kennis van de `verborgen naam' mag dan het mysterie teniet doen, toch is het onmiskenbaar dat Segalen als dichter juist dáár naar op zoek is. Met zijn exotisme van de verscheidenheid valt dat alleen te rijmen, als ook de verscheidenheid haar autre kent: het Ene. Niet de dreigende homogeniteit van de Vooruitgang, maar het eeuwige geheim dat alle verscheidenheid verenigt en waarvoor woorden per definitie tekortschieten. In deze merkwaardige dialectiek raakt Segalen (die zich ooit een `trotse mysticus' noemde) verstrikt, juist in China, waar alles van oudsher verwijst naar het ene middelpunt, dat wordt belichaamd door de onbenaderbare keizer en het binnenste van de Verboden Stad.

In Stèles krijg je meer dan eens de indruk dat het Chinese keizerrijk voor Segalen een symbool was voor de menselijke ziel, waar in de onbewuste diepten eenzelfde middelpunt schuilgaat. Je est un autre, had de door hem hevig bewonderde Rimbaud geschreven. In deze prozagedichten lijkt Segalen (die zich als arts van meet af aan had geïnteresseerd voor psychiatrische verschijnselen) hetzelfde te willen zeggen. Het ware mysterie zit in de spelonken van een verbeelding die de werkelijkheid voor de menselijke ervaring onuitputtelijk maakt.

Dat zoiets in de praktijk tot een hachelijk evenwicht kan leiden, bewijst René Leys, ongetwijfeld het meest toegankelijke boek dat Segalen heeft geschreven en dat in 1988 door Nelleke van Maaren in het Nederlands werd vertaald. De roman heeft wel iets van een detective, zoals ook in de tekst wordt gesuggereerd. Maar van een eenduidige ontknoping is geen sprake. Of de fantastische verhalen waarmee René Leys de verteller in verrukking brengt waar zijn (hij zou deel uitmaken van de imperiale Geheime Dienst en de minnaar zijn van de keizerin), blijft in het midden. De vermeende initiatie van Leys in de geheimen van de Verboden Stad berust misschien op fantasie.

Op deze manier maakt Segalen ten aanzien van zijn eigen levenslange queeste een ironisch voorbehoud, dat tekenend is voor de luciditeit van zijn `trotse' mysticisme. Wil het mysterie van het exotisme, de even vreemde als ultieme waarheid omtrent de wereld en onszelf, intact blijven, dan is de steun van de verbeelding onontbeerlijk. Een verbeelding die nooit genoegen zal kunnen nemen met de ogenschijnlijke vanzelfsprekendheid van wat we de realiteit plegen te noemen.

De tentoonstelling in Maison Descartes duurt tot 20 december; een vertaling van `Les immémoriaux', eveneens van de hand van Maarten Elzinga, is aangekondigd voor komend voorjaar.

    • Arnold Heumakers