Van Franco tot Juan Carlos

De Spaanse schrijfster Josefina Aldecoa heeft een melancholieke toon van schrijven. Haar grote kracht ligt in het treffen van sferen en stemmingen, die verder strekken dan het strikt persoonlijke. Hoe intiem de invalshoek ook is, haar boeken ademen ook altijd een tijdgeest, een levensgevoel. Het schrijven van een trilogie die een groot deel van de 20ste-eeuwse geschiedenis beslaat is deze inmiddels 75-jarige auteur op het lijf geschreven.

Haar trilogie draait om een moeder en dochter, wier levens door de Spaanse Burgeroorlog en de dictatuur van Franco zijn getekend. In het eerste deel Geschiedenis van een schooljuffrouw laat de hoofdpersoon zich in de bevlogen periode voorafgaand aan de Spaanse Burgeroorlog als schooljuffrouw uitzenden naar Guinea om daar goed werk te verrichten. Ze wordt er verliefd op een levenslustige exotische man en keert doodziek en verward terug naar Spanje, waar ze trouwt met net zo'n gedreven hervormer als zijzelf. Ze storten zich gebroederlijk op de ontwikkeling van het achterlijke Spaanse platteland. Maar dan breekt de Spaanse Burgeroorlog uit en wordt haar man gefusilleerd.

Zij blijft achter met haar kleine dochtertje, vanuit wier perspectief het verhaal over het leven van de moeder verdergaat in: Vrouwen in het zwart. In een beklemmende Spaanse provinciestad zijn moeder en dochter op elkaar aangewezen. Ze moeten zichzelf geweld aandoen om in dit verstikkende klimaat stand te houden. Dan ontmoet de moeder haar tweede echtgenoot, een rijke Mexicaan, die een dochtertje van dezelfde leeftijd heeft. Het nieuwe gezin wijkt uit naar Mexico, waar de moeder zich opnieuw op het lesgeven stort. Nu zijn de ongeschoolde kinderen van de Indiaanse werknemers op de hacienda het doelwit van haar scholingsdrang. Met haar tweede man ontdekt ze de hartstochtelijke liefde. Ze doorstaat twee stormen: een kortstondige maar hevige buitenechtelijke affaire van haar man, en zijn vroegtijdige overlijden. Desondanks is ze gelukkig in Mexico. Ze zweert niet naar Spanje terug te keren zolang Franco daar aan de macht is.

Het derde deel, De kracht van het lot, begint met het overlijden van Franco, na een veertig jaar lange dictatuur. De dochter, die al eerder naar Spanje was teruggekeerd en er met een jeugdliefde is getrouwd, belt enthousiast op dat ze nu terug kan komen. De moeder is inmiddels 71. Ze woont al een half leven in Mexico. De zingeving van haar leven vindt zij nog altijd in haar schooltje voor Mexicaanse kinderen. Maar ze vertrekt naar Spanje om bij haar dochter en kleinzoon in de buurt te kunnen zijn. In Spanje heeft ze niets omhanden. Haar dochter en diens man hebben het druk met hun betrokkenheid bij het vormgeven van de nieuwe Spaanse samenleving. De kleinzoon is haar lust en haar leven, maar hij is veel op reis. Langzaam begint de oude vrouw te dementeren en uiteindelijk overlijdt ze.

Het verhaal wordt verteld door de bejaarde vrouw die op haar leven terugblikt, en die alle tijd heeft om haar herinneringen te ontrafelen en steeds opnieuw tegen het licht te houden. Een belangrijk bezwaar voor wie de eerdere delen kent – ze zijn ook los van elkaar te lezen – is dat daarbij gebeurtenissen uit de eerdere delen herkauwd worden, zonder dat Aldecoa er opzienbarende nieuwe inzichten aan toevoegt.

De voornaamste tekortkoming van dit deel ten opzichte van de prachtige en authentieke eerdere delen is dat het perspectief wringt. De hoofdpersoon zet zichzelf neer als een koppige bejaarde, die ondanks herhaalde smeekbeden van haar dochter om bij haar in te trekken, willens en wetens in een saaie Madrileense buitenwijk blijft wegkwijnen. Deze vorm van zelfkritiek kan niet overtuigen. Het is of je de dochter over haar moeder hoort klagen: ze kan nog alles, waarom onderneemt ze niets meer, waarom isoleert ze zichzelf zo? En daar waar de moeder over haar dochter klaagt, die het zo druk heeft met andere zaken, kies je als lezer direct partij voor de actieve en toch nog zo bij haar zeurende moeder betrokken dochter. Het probleem is dat de schrijfster zich meer identificeert met de dochter dan met de moeder, en dat dit onbedoeld doorklinkt in de bespiegelingen van de moeder.

Vermoedelijk was het boek beter geweest als ze het verhaal, net als in het vorige deel, vanuit het perspectief van de dochter zou hebben verteld. Dan had ze ook meer aandacht kunnen besteden aan de bruisende ontwikkelingen in het nieuwe Spanje na Franco, die nu in de lucht blijven hangen. Maar een belangrijk nadeel van deze aanpak zou zijn geweest dat Aldecoa aan het eind van het boek het dementieproces van de moeder niet van binnenuit had kunnen beschrijven. En dat doet ze weer zo weergaloos knap, dat je dit boek na afloop toch niet teleurgesteld dichtslaat.

Josefina Aldecoa: De kracht van het lot. Uit het Spaans vertaald door Eugenie Schoolderman.

Menken, Kasander & Wigman Uitgevers, 237 blz. ƒ39,50