Uit roestig rijm gebroken

Tegelijk met de `viering' van vijftig jaar Vijftigers is de biografie verschenen van dichter/essayist Paul Rodenko. Met zijn bloemlezing `Nieuwe griffels schone leien' wijdde hij een hele generatie in de experimentele poëzie in. Toch wilde Rodenko geen profeet van de Vijftigers zijn.

De Vijftigers spoken nog steeds rond op het literaire toneel. Dichter-essayist-vertaler Paul Rodenko (1920-1976), hun belangrijkste criticus en propagandist, werd onlangs bedacht met een biografie, `Ik ben een vreemdeling. Ik sta apart', van de hand van Koen Hilberdink. De in eenzaamheid gestorven `magiër' dankt zijn faam vooral aan de bloemlezing-op-pocketformaat Nieuwe griffels schone leien die een hele generatie jongeren gevoelig maakte voor moderne poëzie; en voor alles wat zich daarna, in de jaren zestig, aan vrolijke tegendraadsheid zou aandienen.

Eerder dit jaar wijdde de Bezige Bij drie publicaties aan `haar' Vijftigers. Er verscheen een integrale facsimile-uitgave van Braak, een van de tijdschriften die begin jaren vijftig het nieuwe geluid van Remco Campert, Gerrit Kouwenaar, Lucebert en hun bloedbroeders op volle sterkte deed klinken. Van vijf 5 tigers (1955), hun laatste gezamenlijke wapenfeit, kwam een herdruk uit. Aan de in 1995 overleden Bert Schierbeek, de enige Vijftiger die ook als prozaïst grenzen aftastte, werd een fraaie monografie gewijd, Bert en het beeld, samengesteld door Karin Evers. Vooral de onderlinge betrekkingen tussen de Vijftigers en Cobra-schilders als Appel en Corneille, die al eerder vonden dat de wereld toe was aan een grote opknapbeurt, komen daarin goed uit de verf.

Vanwaar deze stroom boeken? Omdat het dit jaar vijftig jaar na Vijftig was? Een mooie aanleiding voor uitgevers om eens flink uit te pakken? Of omdat de Vijftigers vijftig jaar geleden een bom tot ontploffing brachten waarvan de klap nog steeds naklinkt in de Nederlandse literatuur?

Aan beschouwingen over de Vijftigers tot nu toe geen gebrek. Bijna elk jubileumjaar tussen 1955 en 2000 leverde nostalgische terugblikken, stoere verhalen en welwillend mediageweld op. En gemor en gepruttel van nieuwe generaties die vonden dat het nu maar eens afgelopen moest zijn. De belangrijkste studie die hieruit kwam bovendrijven was ongetwijfeld Het komplot der Vijftigers (1979) van Redbad Fokkema. De ontstaansgeschiedenis van de beweging bracht hij minutieus in kaart. Dat leverde veel nieuwe feiten op, maar ook veel rook: de explosieve slagkracht van de Vijftigers, het vuur waaraan hun gedichten ontbrandde, blijft goeddeels verborgen achter de kruitdampen die ze destijds veroorzaakten.

Braak

Voor de inleiding van Renders op de facsimile-uitgave van Braak geldt min of meer hetzelfde. Bijna al zijn aandacht gaat uit naar de petite histoire van het blad en naar de de gewiekste machtsstrategie van de Vijftigers. Het echte vuurwerk zit in de kleurige pagina's na de inleiding: in het overdonderend facsimile van de zeven nummers Braak die in 1950 en 1951 in een oplage van zo'n honderd exemplaren verschenen.

Alle conspiratieve plannen, provocerende optredens en publicitaire hoogstandjes die Fokkema achterhaalde, passeren ook bij Renders de revue. Van de oprichting van de Experimentele Groep Holland door Appel, Corneille en hun vrienden (zomer 1948). Via de beruchte Podium-avond in het Stedelijk Museum (maart 1951), waar Lucebert met het afsteken van sterretjes meer commotie veroorzaakte dan de Maximalen in 1988 met het uitstorten van een emmer rotte vis over dichter-criticus Michaël Zeeman. Tot de publicatie van de door Vinkenoog samengestelde bloemlezing Atonaal, waarmee elf Vijftigers voor het eerst als gesloten falanx naar buiten traden (oktober 1951).

Na 1951, als het `komplot' het beoogde effect heeft bereikt, lijkt het gedaan met de groepssolidariteit van de Vijftigers. Van de elf wapenbroeders van Atonaal mag meer dan de helft, onder wie Rodenko, in 1955, in vijf 5-tigers, niet meer meedoen.

Toch is er in vijf 5-tigers nog veel dat de kameraden van vroeger met elkaar verbindt. De vrijheid die ze veroverd hebben op roestige rijmschema's en plompe versvoeten wordt dansend en springend uitgefeest in grillige beelden en onnavolgbare visioenen. Tegelijk is vrijwel overal een sombere ondertoon hoorbaar waaruit blijkt dat de Tweede Wereldoorlog in hun hoofden nog niet voorbij is: `Wij hebben veel mensen vermoord/ om de mens met de mens te bewijzen' (Kouwenaar). Het is een ondertoon die tot op de dag van vandaag in het werk van de overlevers van Vijftig doorklinkt. Men moet `zijn inktlint vernieuwen' dicht Kouwenaar knus en huiselijk op de laatste bladzij van zijn laatst verschenen verzamelbundel, Helder maar grijzer (1998). Maar ook moet men – houdt hij zichzelf en zijn lezers voor – `de fotograaf nog de bloedplas wijzen'.

De Vijftigers waren oorlogskinderen. Het blijkt uit hun werk en het blijkt uit hun biografie. Bert Schierbeek (1918-1996) verrichtte koeriersdiensten voor verzetsgroep CS-6. Gerrit Kouwenaar (1923) zat een half jaar gevangen wegens illegale publicaties. Lucebert (1924-1994) was tewerkgesteld in een springstoffabriek bij Dessau, tot hij simuleerde en onderdook. Simon Vinkenoog (1928) zag zijn joodse jeugdvriend weggevoerd worden door de Grüne Polizei. Remco Campert (1929) verloor zijn vader: `in Neuengamme bitter oord/ daar hadden ze hem vermoord'.

Talent

Het zijn gemeenschappelijke ervaringen die je niemand toewenst, maar die de zelfbenoemde opvolgers van de Vijftigers rond bladen als Gard Sivik (1955) en Barbarber (1958), en de hard blaffende Zeventigers, Maximalen en Nieuwe Wilden ten enen male ontbeerden. De woede en de levensdrang die Campert, Kouwenaar, Lucebert c.s. er na 1945 in hun bevrijde verzen uitschreeuwden, was echt, geen Spielerei of tactische move. Hun verontwaardiging over de dreigende restauratie in literatuur, moraal, politiek en Ons Indië, was gemeend en schiep een band voor het leven. Vandaar al die terugblikken, jubilea en publicaties.

Toch levert de optelsom van gedeelde ervaring en slimme strategie op zich nog geen dichtersbeweging op die een halve eeuw later nog steeds nadreunt. Daarvoor is meer nodig: talent. En inderdaad, daaraan hadden de Vijftigers vanaf het allereerste begin geen gebrek. Het spat van de kleurige, deels gekalligrafeerde pagina's van Braak. Op de eerste bladzij is het al raak: `dichten is liegen op hoger plan/ van een mus een zwaluw maken/ en als het even lijden kan/ nonchalant de kosmos raken' (Campert). Met de komst van Lucebert begint het subversieve en ludieke keten écht: `boum boem bumm kadavers kadavers ???'

Gezegend talent, bittere ervaringen en een slimme strategie, dat waren de ingrediënten van de bom die de Vijftigers onder de Nederlandse literatuur legden. Niets meer en niets minder, en in die volgorde. Géén programma's die voor eens en altijd decreteerden hoe het voortaan anders moest. Vinkenoog had er zich, tot zijn eigen schande, bij de presentatie van Atonaal aan bezondigd. Kouwenaar gruwde er van in zijn inleiding op 5 tigers: `Laat mij beginnen met nog eens nadrukkelijk vast te stellen dat: a. aan het verschijnsel van de experimentele poëzie geen enkel (gemeenschappelijk) programmatisch streven ten grondslag ligt, b. de zogezegde experimentelen geen school, geen vakvereniging, geen partij vormen.'

Het is een statement dat haaks staat op de analyseerzucht die Paul Rodenko zijn leven lang tentoonspreidde. In tientallen recensies, essays en polemieken ontleedde de `magiër uit Zutphen' het werk van de Vijftigers tot op het bot, zonder hun ziel geweld aan te doen. Als een bezeten kabbalist zocht hij naar hun gouden kern die, zo wist hij en zo wilde hij, altijd verborgen zou blijven. Begin jaren negentig bracht Koen Hilberdink al dat zoeken, tasten, ruiken en proeven samen in vier dikke delen Verzamelde essays en kritieken, waarin ook veel aandacht uitgaat naar Rodenko's allergrootste held, Gerrit Achterberg. Totale omvang: 1800 pagina's.

Hilberdinks Rodenko-biografie, `Ik ben een vreemdeling. Ik sta apart', kan daar nu naast gezet worden. Zij heeft als niet geringe verdienste dat allerlei romantische mythen die Rodenko zelf graag koesterde, met pijnlijke precisie ontzenuwd worden. Vader Iwan kwam inderdaad uit de Oekraïne, maar hij draafde niet als kozak over de vlakten rond Odessa. Rodenko jr. bracht zijn jeugd inderdaad voor een groot deel buiten Nederland door, en in de eerste jaren na de oorlog studeerde hij inderdaad in Parijs. Dat hij pas in 1947 voor het eerst kennismaakte met de Nederlandse poëzie om die in één keer te verslinden, is echter een fabeltje.

Status aparte

Zo is er meer dat Hilberdink doorprikt. Het maakt duidelijk dat de status aparte die Rodenko zichzelf toedichtte een bewuste, romantische keuze was, een Dostojevskiaans noodlot waarin hij zich, net als zijn – gevreesde – vader, graag wentelde. Nergens voelde hij zich echt thuis. Niet in Nederland, omdat hij daar met zijn Russisch temperament niet uit de voeten kon; behalve als hij de nodige wodka op had, naar de balalaika greep en een roffelende hurkdans ten beste gaf. Niet in zijn geboorteplaats Den Haag, omdat het café om de hoek lag en er te veel mensen langskwamen. Niet in zijn ballingsoord Zutphen, omdat de fles op de hoek van zijn bureau stond en er te weinig mensen langskwamen. Niet in zijn gezin, omdat dat hem afhield van zijn werk om den brode: vertalen en bewerken. Niet in zijn werk omdat dat hem afhield van zijn passie, de poëzie.

Ook van de Vijftigers stond Rodenko apart, hun principiële houding tijdens de oorlog was niet de zijne. Hij deed weliswaar wat klein verzetswerk, maar tot twee keer toe tekende hij als psychologiestudent de Loyaliteitsverklaring. Naar eigen zeggen omdat hij anders het risico liep in Duitsland wapens te moeten vervaardigen tegen zijn `eigen' volk, de Russen. Bovendien had hij dan geen college meer kunnen lopen bij een – foute – docent bij wie hij in therapie was om van zijn stotterprobleem af te komen. De naoorlogse zuiveraars waren er niet gevoelig voor: Rodenko werd voor anderhalf jaar van universitair onderwijs uitgesloten. Parijs werd zijn naoorlogse onderduikadres.

Dat deze faux pas het contact tussen Rodenko en de Vijftigers op zijn minst bemoeilijkt moet hebben, komt in Hilberdinks biografie slechts via een zeer ingewikkelde omweg ter sprake; hij heeft er de overlevers niet naar gevraagd. Wel laat hij zien hoe Rodenko's oorlogsverleden hem binnen het Haagse literaire wereldje rondom uitgever/mecenas/bullebak/vaderfiguur Bert Bakker behoorlijk verlamde. Deze mentale kwetsuren speelden Rodenko ook parten in zijn relatie met de Vijftigers. Hilberdink, van huis uit neerlandicus, hanteert daarbij het volgende psychologische sjabloon: Na in zijn jeugd vergeefs gestreden te hebben tegen zijn omnipotente biologische vader Iwan, legt Rodenko ook tegen zijn substituutvader Bert Bakker het loodje. Gevolg: nieuwe frustraties die `gesublimeerd' moeten worden in nieuwe agressie naar nieuwe, minder machtige vijanden, bijvoorbeeld de Vijftigers.

Met de dichter Rodenko hadden de Vijftigers weinig moeite. In Atonaal kreeg hij na de bewonderde Lucebert uitgebreid het woord. Zijn toon was wat minder geëxalteerd, op het affectieve af. Maar zijn metaforen mochten er wezen: `Uit het hout van de morgen/ uit morgenrozenhout/ sneed ik een beeld/ heel licht en smaller dan een lijsterstem'. Met de essayist Rodenko hadden de Vijftigers meer moeite. Op al zijn duidingen, verklaringen en analyses zaten ze niet echt te wachten. Poëzie, hun poëzie, moest voor zichzelf spreken. En als ze dat niet deed, dan moest de dichter maar wat harder of schriller schreeuwen. Rodenko vond op zijn beurt dat de Vijftigers in hun vlucht naar voren te weinig eer bewezen aan pioniers die er wel degelijk geweest waren in binnen- en buitenland. Bovendien keken ze ten onrechte niet verder dan het jaar Nul, i.c. 1950.

Nieuwe griffels

In Nieuwe griffels schone leien bracht Rodenko de Nederlandse tak van deze `traditie van het moderne' voor het eerst uitgebreid in kaart `van Gorter tot Lucebert, van Gezelle tot Hugo Claus'. De Vijftigers waren hem er toch wel dankbaar voor. Het gaf hun poëzie reliëf en, niet onbelangrijk, een ingang bij een groot, jong lezerspubliek dat ƒ1,45 (goed voor tien zakken patat) overhad voor een Ooievaar-pocket. De liefde was echter van korte duur. Toen Rodenko een jaar later in een volgende bloemlezing de traditie nog meer naar voren haalde en het moderne van het Moderne nog meer relativeerde, brak de hel los. `Een klap in het gezicht van de moderne poëzie', riep Vinkenoog. De aangesprokene reageerde met een stortvloed van invectieven, culminerend in de ferme leus `Ik behoor niet tot de Vijftigers en heb me nooit geroepen gevoeld hun profeet te zijn'. Apart van alles en iedereen groef Rodenko vervolgens voort. In het jaar van zijn dood, 1976, begon hij aan zijn meest ambitieuze project: een allesomvattende studie naar de West-Europese vernieuwingsbeweging in de poëzie sinds 1800. Het bleef bij een – indrukwekkende – aanzet. Terwijl de Vijftigers steeds meer applaus oogstten, zonder al hun streken te verliezen, stierf Paul Rodenko onder omstandigheden die zijn geliefde poètes maudits – belangrijk knooppunt in zijn studie – maar al te goed gekend hadden. Eén jaar later verscheen de tiende, laatste druk van Nieuwe griffels schone leien. De totale oplage kwam daarmee op 91.000 exemplaren.

Koen Hilberdink: `Ik ben een vreemdeling. Ik sta apart'.

Een biografie van Paul Rodenko (1920-1976).

Meulenhoff, 439 blz. ƒ55,-

Hans Renders: BRAAK. Een kleine mooie revolutie tussen Cobra en Atonaal. Met een facsimile van het tijdschrift.

De Bezige Bij, 427 blz. ƒ59,90

vijf 5-tigers vijftig jaar. Een bloemlezing uit het werk van Remco Campert, Jan Elburg, Gerrit Kouwenaar, Lucebert, Bert Schierbeek. Met een inleiding van Gerrit Kouwenaar en een nawoord van Hans Renders. Met CD. De Bezige Bij, 102 blz. ƒ49,90

Karin Evers: Bert en het beeld.

De Bezige Bij, 192 blz. ƒ45,-