Uit Michelangelo's marmergruis

Merijn Bolink verbouwt kinderwagens, piano's en eekhoorns. Zijn werk toont de vergankelijkheid en de rijkdom van het leven.

Een eenvoudig concept: alle huizen van Reykjavik, IJsland, op dia gezet, op 34.000 dia's in totaal. De kunstenaar Dieter Roth maakte ze en ik zag ze, dia na dia na dia, deze zomer in Parijs, op een tentoonstelling die over het ordenen van de wereld ging. Tegenover een halfronde wand in het Musée d'Art moderne de la Ville de Paris was een batterij diaprojectoren opgesteld die steeds vijf, zes dia's tegelijk projecteerde. Achterin de ruimte stonden archiefkasten vol dozen met dia's die nog veel meer beelden van huizen in Reykjavik beloofden, meer dan je in je hele leven zou willen zien.

Twee uur lang hield ik het kijken vol, zag huis na huis na huis voorbijkomen. Verder zag ik niet veel. Een stukje oprit, stoep of straat en steeds weer de IJslandse lucht. Soms regent het in IJsland en soms is de lucht er stralend blauw met kleine witte wolkjes. En het kan er flink sneeuwen. Meer kwam ik niet te weten. Kennis ontstaat door ordening en ordening was wat ik had gezien, maar de kennis die ik had opgedaan was klein en nogal doods, niet verbonden met andere kennis. Wat zegt het om alle huizen in Reykjavik op dia te kunnen zien? Wie woonden er in die huizen? Hielden die mensen van hun huis, hun leven, hun hond, elkaar? Ik wist het niet. Eigenlijk wist ik nauwelijks meer dan toen ik de zaal binnengelopen was. Het was alsof de kunstenaar alleen het ruwe voorwerk had gedaan, verder moest je het zelf maar zien uit te zoeken. Zoals vaker bij conceptuele kunst was het niet de kunstenaar, maar de toeschouwer die geniaal diende te zijn.

Veel werken op de tentoonstelling leden aan hetzelfde gebrek. Christian Boltanski had alle telefoonboeken van de wereld in een zaaltje bijeengebracht, Bertrand Lavier had schilderijen uit de twintigste eeuw verzameld van kunstenaars die de achternaam `Martin' droegen (waaronder o.a. Adolf, Agnes, Al, Alicia, Alfred, André en Antoine-Marius zich alfabetisch-comfortabel bevonden) en On Kawara liet een kalme stem in een oogverblindend wit kamertje van één miljoen jaren voor Christus tot één miljoen jaren na Christus tellen. Ik stond stil bij de jaren 98.737, 98.736, 98.735, 98.734, 98.733, 98.732 en 98.731 voor Christus tot mijn maag begon te rommelen. Die kon geen jaar meer wachten.

Ja. Er zijn meer telefoonabonnees op aarde dan je ooit zou willen bellen, er was/is een onafzienbare zee van tijd die zich uitstrekt voorbij de grenzen van jouw korte eigenaardige bestaan en ook zijn er binnen het bestek van slechts één eeuw al te veel talentloze kunstenaars geweest die Martin heten, zoveel maakten Boltanski, Kawara en Lavier me in hun encyclopedische ijver wel duidelijk. Maar meer ook niet. Greep krijgen op de wereld is niet eenvoudig.

De ordeningen die deze kunstenaars de wereld oplegden hadden iets absurds, ze leken de chaos eerder te vergroten dan dat ze hem verminderden. Voor absurditeit was in de uitvoering van hun kunstwerken overigens geen plaats. Die was suf en strikt, een droge vertaling van een idee. Het is een gebrek dat conceptuele kunst vaker heeft: het ziet er letterlijk niet uit. Waarom dan toch een museum ermee gevuld? Aan een korte beschrijving zou iemand genoeg hebben om zich deze kunstwerken voor te kunnen stellen.

Wandschildering

De tentoonstelling van beeldhouwer Merijn Bolink (uit 1967) in het Groninger Museum opent met minstens dertien meter beschrijvingen van ideeën voor kunstwerken; Bolink heeft een wandschildering gemaakt naar aanleiding van zijn schetsboeken. Zo te zien volgen zijn ideeën elkaar op in een sneller ritme dan zijn hartslag. Stel je voor:

1. Een beeldbuis van 360 graden. 2. Een `gecomprimeerd' woordenboek waarin alle woorden en tekens op de eerste bladzijde over elkaar heen gedrukt staan. 3. Een fontein van twee hoofden die `huilen en gehuild worden' door een waterstraal die hun ogen verbindt. 4. Een anarchistisch autobandprofiel dat een afdruk nalaat waarin `fuck the system' staat te lezen 5. Een voorstel voor een expositie waarbij naast elk beeld alle benodigde materialen en gereedschappen tentoongesteld worden. 6. De gedachte om vanuit een bewegend voertuig enkele minuten lang te proberen alles waar te nemen (er is een zeer wakker oog bij deze gedachte getekend), het volgende idee is om je met gesloten ogen voor te stellen wat je eventueel had kunnen waarnemen.

7. Het goede voornemen om het getal zeven voortaan niet meer met religieuze of occulte zaken te associëren.

En zo verder, gedachte na idee na inval. Al voor je het paviljoen betreedt waar Bolinks beelden te zien zijn, heb je een flinke poos in zijn gedachtenwereld vertoefd.

Dat paviljoen, ontworpen door het architectenbureau CoopHimmelb(l)au, is een postmodern, voor exposerende kunstenaars wreed opdringerig allegaartje van scheve wanden en rare hoeken, doorsneden door een stalen loopbrug, waartegen een kunstwerk het snel kan afleggen, maar Bolink is zo slim geweest om de strijd met de architectuur helemaal niet aan te gaan. Hij heeft zijn beelden, een overzicht van zijn werk van de laatste tien jaar, in een simpele lijn dwars door de ruimte opgesteld. `All in line' heet de tentoonstelling dan ook, naar een bundel tekeningen van Saul Steinberg, een kunstenaar die Bolink bewondert om zijn schijnbare eenvoud. Bij Bolink is alles verbonden met alles, niets is zonder betekenis.

Daar staan ze, zijn beelden. Prachtig, krachtig, tikkie raadselachtig soms. Uit mijn hoofd noem ik op: een echte herenschoen met daarachter een afbeelding van net zo'n herenschoen, opgebouwd uit stukjes leer van de andere schoen van het paar. Een werk waarin, Magritte indachtig, `een voorwerp zijn beeld ontmoet'. Of dat bij nader inzien nog een stap verder gaat: een voorwerp wordt zijn beeld. Voorwerp en afbeelding vallen samen, zoiets zou Magritte nog versteld doen staan over de rand van zijn graf heen. Niet ver daarvandaan (ik sla vloeibaar geworden stukken hout en slangenhuid die over de vloer druppelt en twee hazen, de één opgezet, de ander vervaardigd van een bontjas, over) begint een uitstalling van veertien kinderwagentjes, van klein tot nietig, ieder vervaardigd van ander materiaal; corduroy, rubber, ijzer, pitriet en hout en meer, afkomstig van een kinderwagen die Bolink op straat vond en die hij uit elkaar haalde om hem vervolgens te verveertienvoudigen, tot een dynamisch beeld van voortplanting (in zichzelf al dynamisch).

Vlak naast de kinderwagens staat een ruwhouten ladder waarvan een gedeelte is weggehaald en vervangen door een opgezette eekhoorn die precies de vorm van het ontbrekende gedeelte heeft gekregen. Met wat fantasie zie je een eekhoorn die een trap oploopt, maar zelf ook belopen kan worden. De eekhoorn heeft eigenschappen van de ladder overgenomen en de ladder van de eekhoorn.

In een ander beeld gaat Bolink nog verder en laat hij dingen in elkaar veranderen, dwingt ze radicaal elkaars vorm aan te nemen. Van een houten drankkastje maakte hij een tafelventilator en van het materiaal van de tafelventilator reconstrueerde hij het kastje en noemde dit beeld `wederzijds huwelijksbedrog', naar een toneelstuk van Pieter Langendijk. Beide voorwerpen hebben na de verandering van materiaal hun functie verloren, ze zijn in een driedimensionale afbeelding van elkaar veranderd. De houten ventilator is te lomp en te massief om iemand koelte toe te kunnen blazen. Het kastje, van opengewerkte ijzeren plaatjes, stukjes karton en plastic, is te fragiel om iets in op te bergen. Het maakt dat het beeld melancholie uitstraalt, melancholie om de bestaansontkenning die deze voorwerpen in haar greep gevangenhoudt.

Kinderwagentjes

In de klassieke opvatting van de beeldhouwkunst, terug te voeren op Plato, dient een vorm of idee bevrijd te worden uit de materie. Die opvatting is het bekendst geworden door Michelangelo's uitspraak dat zijn David zich al in een blok marmer bevond en alleen nog maar `losgemaakt' hoefde te worden uit de omringende materie. Na de bevrijding van David bleef Michelangelo dus ook met een berg geestloze brokken marmer zitten. Bolink daarentegen, bevrijdt een vorm uit een vorm zonder een berg restmateriaal over te houden. In principe zou uit de veertien kinderwagentjes de oorspronkelijke kinderwagen weer gereconstrueerd kunnen worden. Bij Bolink is álle materie bezield en voorbestemd tot een eindeloze metamorfose.

In een interview met Bianca Stigter voor deze krant zei hij hierover: ,,Ik geloof niet in God, maar het gaat mij wel om de oude vraag: waar kom je vandaan? Je bestaat uit atomen en die komen ergens vandaan. Er komen geen nieuwe atomen bij, dus in principe kun je ze terug in de tijd volgen. Een atoom dat nu in een pak sinaasappelsap zit, was in 1967 misschien wel moedermelk.'' Het spoor van die gedachte volgend is het goed mogelijk je voor te stellen dat Bolinks beelden voortkomen uit het marmergruis dat Michelangelo honderden jaren geleden in zijn werkplaats opgeveegd heeft.

Merijn Bolink noemt zichzelf een constructeur van ideeën, die uitvindingen doet op basis van schema's die hij zelf heeft bedacht. Het klinkt een beetje alsof hij een op hol geslagen wetenschapper is. Zo kruiste hij eens – op de computer – een koe met een voetbal omdat een leren voetbal op straat hem aan een restje koe had doen denken en hij graag wilde weten hoe de kruising van dat restje materiaal en het oorspronkelijke geheel er weer uit zou komen te zien.

Een enkele keer klinken de schema's die hij hanteert iets te nadrukkelijk door in een kunstwerk, de uitvoering van het beeld is dan niet meer dan een verstarde versie van het concept, waaruit de magie niet losbreekt. Maar veruit de meeste beelden van Merijn Bolink zijn een wonderbaarlijke kruising tussen een verrassend concept, enorme technische bekwaamheid en broze schoonheid. Zoals het beeld van de piano's, dat hij maakte door zijn eigen, geliefkoosde piano te verzagen, te fileren eigenlijk. Van elk houten onderdeel maakte hij twee dunnere delen en hij scheidde de ivoren toetsen stuk voor stuk van hun binnenwerk. Waar onder de ene piano slappe koperen voetpedalen hangen, heeft de ander onafgewerkte ijzeren staafjes. Aan de voorzijde lijkt de ene piano, met het donkergelakte hout, het origineel te zijn, van de achterkant lijkt juist de ander het. De bijbehorende stoel onderging dezelfde bewerking en werd er twee, te kwetsbaar om op te kunnen zitten. Ook beide piano's zijn voortaan onbruikbaar, zijn afbeeldingen, echo's van piano's geworden. Ze staan erbij alsof ze zichzelf missen.

Merijn Bolink maakte dit beeld niet lang nadat zijn zusje, die de helft van een tweeling was, gestorven was. In een boekje dat Bolink over zijn werk liet maken staat een foto van zijn zusjes, genomen in zo'n pasfotohokje, ze lachen allebei.

Mensen zijn kwetsbaar. Ze kunnen niet eindeloos uit elkaar gehaald en in elkaar gezet worden. Je kunt ze niet dwingen andere eigenschappen, een andere vorm aan te nemen (zelfs niet als je met ze trouwt). Hun maakbaarheid is gering. Het is rond dit besef dat Merijn Bolinks werk voortdurend lijkt te cirkelen. Hij gebruikt er de dingen voor die ons dag in dag uit omringen, manipuleert ze tot een stilleven, een nature morte, dat je aan de vergankelijkheid van alles herinnert. Tegelijkertijd tonen ze je de rijkdom van het leven, niet met miljoenen jaren en miljoenen telefoonabonnee's tegelijk, maar op een veel menselijker maat.

,,Je bent onderdeel van een prachtig geheel der dingen. Even heb je er een glimp van opgevangen. Even heb jij het gezien'', schrijft Esther Gerritsen in haar onlangs verschenen verhalenbundel Bevoorrecht bewustzijn en ook: ,,Je hele leven is een aaneenschakeling van fysieke gebeurtenissen. Je bewustzijn, al dan niet bevoorrecht, maakt er wat van.'' En het is precies dat bevoorrechte bewustzijn, dat de `geheime ordening' van de wereld zo scherp doorziet, dat aan Merijn Bolinks werk pracht, kracht en raadselacht verleent.

`All in line', overzichtstentoonstelling van Merijn Bolink in het Groninger Museum, tot 15 april 2001.

    • Pam Emmerik