Tegenmelodie van bederf en verval

De historicus H.W. von der Dunk schreef een massief overzicht van de Europse cultuur in de twintigste eeuw. Democratisering en emancipatie hebben geleid tot verval van hiërarchieën en normvervaging. Maar hoe dwingend is dat beeld van de vorige eeuw?

Een van de belangrijkste kenmerken van de vorige eeuw is de arbeidsdeling die zich op alle gebieden van het maatschappelijke leven heeft doorgezet. Zeker in de wetenschappen is de afschotting ver gevorderd, zodat we nu ook een hoogleraar in de `psychologie van eetstoornissen' hebben. Ortega y Gasset sprak in De opstanden der horden (1933) al over de `barbarij van het specialisme'. Zulk deelonderzoek levert ongetwijfeld veel op, maar brengt volgens deze Spaanse filosoof tegelijk een klasse voort van `ontwetende geleerden', die als kinderen oordelen over alles wat buiten hun benauwde horizon valt.

Tegen die achtergrond is het genre van de brede cultuurgeschiedenis even noodzakelijk als precair. Het gebaar van een omvattende tijdsdiagnose is belangrijk om orde te scheppen dwars door de versplintering van disciplines heen. Een cultuur leeft nu eenmaal van herinnering en bespiegeling, die meer is dan de optelsom van specialistische kennis. Zo'n onderneming is kwetsbaar. Want wie slaagt er nog in om het geheel te zien op een betekenisvolle manier, dus zonder de inzichten die op alle deelterreinen zijn vergaard geweld aan te doen? Toch is juist dat individuele gezichtspunt van belang, want maar al te vaak leiden collectieve vormen van geschiedschrijving tot onsamenhangende of plichtmatige resultaten.

Het is daarom verheugend dat veel historici van naam zich inmiddels hebben gewaagd aan een omvattende geschiedschrijving van de voorbije eeuw. Vooral in het Angelsaksische taalgebied zijn de afgelopen jaren tal van studies verschenen: The age of extremes (1994) van Eric Hobsbawm, Reflections on a ravaged century (1999) van Robert Conquest, Dark continent (1998) van Mark Mazower en From Dawn to Decadence (2000) van Jacques Barzun, dat zelfs de afgelopen vijfhonderd jaar probeert te omvatten. De titels verraden de sombere ondertoon van deze onderzoekingen, die veelal gedrenkt zijn in cultuurpessimisme. Een van de weinigen die een neutraler geschichtspunt kiezen is J.M. Roberts met zijn omvangrijke Twentieth Century. A history of the world 1901 to present (1999).

En nu is ook in Nederland een cultuurgeschiedenis van Europa in de twintigste eeuw verschenen. De verdwijnende hemel van de historicus Herman von der Dunk schept grote verwachtingen. Niet alleen is de Utrechtse emeritus-hoogleraar cultuurgeschiedenis een van de bekendste historici van ons land, die van met boeken over onder andere de holocaust een belangrijke bijdrage aan de meningsvorming heeft geleverd. Ook vormen de twee delen met hun meer dan duizend bladzijden een grootse greep. Von der Dunk heeft de samenballing van een leven lang denken over Europa willen voorleggen. Kort en goed: het is zijn magnum opus.

Bij alle waardering die men moet hebben voor de hartstocht en belezenheid waarmee de auteur zich aan zijn onderwerp waagt: na lezing blijft toch een gevoel van teleurstelling over. De eerste zin valt de lezer al zwaar: `Er zijn vele geschiedenissen van de Europese cultuur in de twintigste eeuw mogelijk en elke opzet blijft uiteraard een poging om naar het monoperspectivistische verhaal te transponeren wat zich in oneindig veel verschillende perspectieven manifesteert'. Vergelijk dat met de relativerende openingszin van Hobsbawm in The age of extremes: `Nobody can write the history of the twentieth century like that of any other era, if only because nobody can write about his or her lifetime as one can (and must) write about a period known only from the outside'. Het is een veelzeggend verschil in stijl.

Kijken we om te beginnen naar de compositie van deze cultuurgeschiedenis, dan springt vooral de onevenwichtige opbouw in het oog. Sommige periodes krijgen om onuitgesproken redenen beduidend meer aandacht dan andere. Von der Dunk legt bijvoorbeeld nergens uit waarom de jaren twintig ongeveer vijf maal zoveel ruimte innemen als de jaren zestig. Hierin wordt de ervaring van een generatie zichtbaar: de auteur werd in 1928 in Bonn geboren. Misschien zijn er ook wel goede argumenten om de betekenis van de jaren zestig krachtig te relativeren, maar dáár moet de auteur juist niets van hebben: hij spreekt van een `culturele aardverschuiving', waarvan de echo nog luid doorklinkt in bijvoorbeeld de seksuele omgangsvormen.

Mogelijk heeft die onevenwichtige opbouw te maken met de tegenstrijdige manier waarop Von der Dunk de culturele gevolgen van beide wereldoorlogen weegt. Zo schrijft hij over de tweede: `Het fascisme kan achteraf de grote, tot in alle vezels van de samenleving doordringende cultuurschok van de twintigste eeuw worden genoemd'. Het onderzoek naar de gevolgen daarvan zou dus nadruk op de naoorlogse decennia rechtvaardigen. Maar Von der Dunk schrijft ook, over de eerste: `Als algemene cultuurschok markeert de Eerste Wereldoorlog een historische cesuur van de eerste orde. In dat opzicht was de Tweede niet zo'n grote verrassing meer'. Als dat waar is, zijn inderdaad de jaren twintig de sleutel tot het culturele begrip van de eeuw.

Maar er is een andere verklaring mogelijk. Kennelijk hebben de zevenhonderd bladzijden die nodig waren om in 1945 uit te komen, alle energie van de auteur geëist. Hoe valt anders te verklaren dat het grote revolutiejaar 1989 er zo karig afkomt in dit boek? De val van het communisme in Midden-Europa en de Duitse eenwording worden in één bladzijde afgedaan. Gorbatsjov en de ineenstorting van de Sovjet-Unie krijgen iets meer ruimte toebedeeld. Dit terwijl we vijftien bladzijden lang worden vergast op een uiteenzetting over de jeugdbeweging in de jaren twintig. Achtereenvolgens behandelt Von der Dunk de padvinderij van Baden Powell, de Wandervögel (met de afsplitsing van de Altwandervögel), de Franse publicatie Les jeunes gens d'aujourd'hui, en tenslotte de opstandige jeugd in Italië.

Zelfs als men de nadruk op Duitsland en daarna Frankrijk en Groot-Brittannië in deze cultuurgeschiedenis gerechtvaardigd acht, is het onbegrijpelijk dat de ontwikkelingen in Midden- en Oost-Europa zo'n zijdelingse aandacht krijgen. Een beschouwing over de literaire en politieke betekenis van dissidente schrijvers als Solzjenitsyn, Kundera, Michnik, Konrád, Milosz en Havel mag niet ontbreken in een boek over de cultuur van Europa in de twintigste eeuw. Met uitzondering van een alinea over Solzjenitsyn geen woord over deze schrijvers.

Een ander belangrijk gemis is dat Von der Dunk de betekenis van dekolonisatie en het machtsverval van Europa niet naar waarde schat. Het blijft een zijlijn in zijn betoog. Toch staat het wel vast dat de cultuur van Europa in de afgelopen eeuw, behalve door opkomst en neergang van het totalitarisme, vooral wordt gekenmerkt door de ervaring van kolonialisme en dekolonisering. Naast de levende herinnering aan de oorlog, heeft de schok van dat proces de Europese integratie mogelijk gemaakt. Het beslissende initiatief is immers genomen door de koloniale mogendheden die hun machtspositie hebben zien afkalven. Verder raakt de migratie die op de dekolonisering is gevolgd West-Europa ten diepste.

Juist voor een goed begrip van het cultuurrelativisme, dat Von der Dunk zo bezighoudt, zijn die ontwikkelingen van cruciaal belang. In Civilization on trial (1948) schrijft de Britse historicus Toynbee dat de westerse beschaving zich vooral door de technologische revolutie – ook een thema in De verdwijnende hemel – heeft weten op te dringen aan de rest van de wereld. Terwijl andere culturen zich hebben moeten aanpassen, leeft West-Europa daardoor nog te zeer in een op zichzelf gericht wereldbeeld. Vroeg of laat zal de historische omwenteling van de dekolonisatie terugslaan op dat bekrompen zelfbeeld, voorspelt hij. De multiculturele onzekerheden van de laatste decennia zijn daar tekenen van.

Bij de behandeling van de honderden stijlen, stromingen en opvattingen die de Europese cultuur in de twintigste eeuw heeft gekend, is Von der Dunk over het geheel genomen zakelijk en genuanceerd. Zelfs voor de graffiti in de moderne grote steden weet hij nog wel een opbeurend woord te vinden. Wanneer de auteur greep heeft op het materiaal, zoals bij de kritische theorie en de Frankfurter Schule, maakt de opsomming plaats voor een geslaagde synthese. Dan komt de beschouwing tot leven en worden er belangwekkende verbanden gelegd. Zo doet hij de treffende waarneming dat in onze dagen individualisme gepaard gaat met een nieuw conformisme: `In plaats van oude bindingen kwam er een soort massale aanpassing, een versterkte afhankelijkheid in gedrag en denkvormen van de ander, de omgeving, de publieke opinie'.

Zulke goed geschreven passages zijn er zeker meer, maar ze redden het geheel jammer genoeg niet. Met enige regelmaat struikelt de lezer over omslachtige typeringen. In Wagners opera's vindt het publiek volgens Von der Dunk een `gesublimeerde ontzinnelijkte zinnelijkheid'; hij spreekt van de bevrijding van de vrouw `uit de rol van een door de hyperactivistische kordate man zorgzaam gekoesterd huisdier' en leidt de jeugd in als `een eigen zelfbewuste geleding op het maatschappelijke tapijt'. Het boek wemelt van de overbodige bijvoeglijke naamwoorden: `opgeklopte uitbundigheid', `zelfverzekerde beeldenstormers', `onervaren bloedjonge soldaten', `normale omgangstaal', `gedreven idealist', enzovoorts. Tenslotte draagt het veelvuldig gebruik van woorden als `deterioreren', `refugium', `verdict' en `belligerent' niet bij tot de leesbaarheid.

Von der Dunk heeft veel informatie verzameld, maar zoals hij in een kritische beschouwing over het `informatietijdperk' zelf vaststelt: informatie is nog geen inzicht. Zijn studie is te veel een boekhouding geworden van de twintigste eeuw, de drang naar volledigheid leidt vaak tot een vlakke vertelling. Bijna altijd stuiten we op de meest voor de hand liggende typering van een filosoof, een kunststroming of een roman. Welk publiek de auteur op het oog had, blijft onduidelijk: voor het onderwijs is deze studie te omvangrijk en voor de geïnformeerde lezer is het te inventariserend.

Von der Dunk houdt zijn breed uitwaaierende beschouwing bijeen met één rode draad. Met het beeld van een `verdwijnende hemel' bedoelt hij niet de secularisering, maar wil hij in algemene zin het verlies aan hiërarchie en traditie in de Europese cultuur benoemen. Er is geen hoger en lager meer. Het begon met het urinoir van Marcel Duchamp en eindigt met een wereld die door reclame wordt geregeerd. Als er dus een leitmotiv moet worden aangewezen dan is dat uiteindelijk toch dat van het cultuurpessimisme, al beseft Von der Dunk terdege dat het einde van de westerse cultuur al te vaak is aangekondigd om helemaal te kunnen overtuigen. Dus behandelt hij het cultuurpessimisme allereerst als een stroming en vraagt hij zich af hoe het mogelijk is, dat in welvarende en stabiele democratieën zulke somberheid de toon zet in de beeldende kunst en de literatuur.

Maar tegelijkertijd maakt hij dit pessimistische gezichtpunt ook tot het zijne. Al in de inleiding maakt Von der Dunk gewag van zijn overtuiging `dat er een enorme esthetische en geestelijke rangorde bestaat', een rangorde die haaks staat op de `normverwatering' in de huidige tijd. In de conclusies komt hij hierop terug wanneer hij spreekt over de prijs van democratisering: `De universele opwaartse beweging van de onderste lagen leidde vanzelf tot een neerwaartse beweging van elites en bovenlagen'.

Uit die redenering spreekt een merkwaardig fatalisme. Is het waar dat de democratisering die zo kenmerkend is voor de late twintigste eeuw `vanzelf' leidt naar de vulgarisering die Von der Dunk aanklaagt? In beginsel opent de emancipatie van verschillende bevolkingsgroepen, opdat eenieder volwaardig burger kan zijn, ongekende mogelijkheden tot kennisneming van de `hogere' cultuur. Het besef dat overdracht van cultuur ook de vorming van een canon van klassieke teksten en kennis veronderstelt, is momenteel niet sterk aanwezig, dat is waar. Maar die onzekerheid van de culturele bovenlaag over de betekenis van de traditie zou moeten worden opgevat als een uitnodiging tot zelfonderzoek en tot herformulering van de traditie. Men kan een culturele erfenis inderdaad laten verpieteren: straks is de deur naar cultuur voor iedereen geopend, maar biedt hij toegang tot een lege ruimte. Zulke verwaarlozing is een mogelijkheid, geen noodzakelijkheid.

Met zijn cultuurkritiek raakt Von der Dunk wel een grote kwestie, die hij echter te zeer in verband brengt met de veel aangeklaagde `amerikanisering' van de Europese cultuur. Hij hekelt het `kenmerkende infantilisme dat in de figuur van Mickey Mouse al zijn eerste wereldwijde triomf had gevierd'. Nu valt er over het Disney-imperium veel te zeggen, maar dat films als Lion King voor de jeugd zijn bedoeld, staat wel vast. Het is ook duidelijk dat van deze eigentijdse sprookjes geen enkele bedreiging voor onze cultuur uitgaat, ze zijn eerder een oase van braafheid. Bovendien, wie zoals Von der Dunk geen woorden heeft gevonden voor de betekenis van onder anderen Edward Hopper, George Gershwin, Philip Roth en natuurlijk Bob Dylan, kan beter niet te veel over de Amerikaanse cultuur uitweiden. Er is daar werkelijk méér dan Andy Warhol en Donald Duck.

Het cultuurpessimisme heeft een bredere betekenis dan alleen het debat over hoge en lage cultuur. Het is onmiskenbaar dat in Europa beschaving en barbarij, zeker ook in de twintigste eeuw, buren zijn geweest. De geschiedenis van Europa is doortrokken van oorlog en imperialisme. En toch, tegelijkertijd staat ons werelddeel in het teken van moeizame pogingen om tegen deze eenvoud van het noodlot in te redeneren. De liberale hoop van vóór 1914 werd met andere middelen voortgezet: eerst door de Volkenbond, en daarna door de Verenigde Naties, is geprobeerd de mondiale machtsverschillen te temperen door rechtsgelijkheid. Zo staat de twintigste eeuw óók in het teken van het volkenrecht. Met vallen en opstaan wordt door de Europese Unie momenteel niets minder gedaan dan een greep naar `eeuwige vrede', zoals Kant het formuleerde. Over de culturele waarde van die onderneming zegt Von der Dunk te weinig, maar elke eenzijdige typering van de afgelopen eeuw als een tijdperk van morele neergang is ermee uitgesloten.

Wel stelt Von der Dunk in de lijn van veel cultuurpessimisme terecht vast, dat er in de Europese samenlevingen een ongelijke ontwikkeling is tussen de toenemende technische beheersing en de morele vooruitgang. De droom van de Verlichting, waarin redelijkheid en zedelijkheid samenvloeiden, is lang niet in alle opzichten werkelijkheid geworden: `De toegenomen beheersing van de materiële cultuur had niet tot een humanisering van de maatschappij geleid', aldus Von der Dunk. Daar is de industriële massamoord in Auschwitz natuurlijk het gruwelijkste voorbeeld van. Bij de behandeling van deze episode is de auteur op vertrouwd terrein en dat merkt men onmiddellijk.

Toch neemt Von der Dunk ook weer afstand van een klassiek cultuurpessimisme. De schaalvergroting door de moderne techniek verhult volgens hem een antropologische constante: `Er is geen reden om te denken dat mensen tot erger wreedheden of omgekeerd tot groter opoffering in staat bleken dan vroeger', meent hij. Daarom spreekt hij ook in de slotzin zijn hoop uit dat `elke generatie de horrorscenario's van de vorige tenslotte zal weerleggen'. Zo trekt hij zich weer terug op de veilige positie van de toeschouwer.

De uiteindelijke betekenis van het cultuurpessimisme, zoals ook te vinden in dit boek, ligt niet in de voorspellende waarde ervan. Het is een constante tegenmelodie die door de verbeelding van verval en ondergang een samenleving wil prikkelen. Het inzicht dat beschaving geen `natuurlijk' gegeven is maar onderhouden moet worden, vormt de kern van alle cultuurkritiek. Ortega y Gasset besefte dat in de jaren dertig, toen hij schreef over `het kunstmatige, bijna onwaarschijnlijke karakter der beschaving'. Een democratische cultuur staat of valt met het benoemen van onbehagen temidden van overvloed. Ondanks alle bezwaren die het boek aankleven, draagt De verdwijnende hemel bij tot die tegenwoordigheid van geest.

H.W. von der Dunk:

De verdwijnende hemel.

Over de cultuur van Europa in de twintigste eeuw. Meulenhoff,

(twee delen) 496 en 576 blz.

ƒ175,- (geb.)/ ƒ125,- (pbk)