Sancties tegen Irak treffen de verkeerde mensen

Een groep Europese politici arriveerde vorige weekeinde in Bagdad om hun opvatting dat de sancties tegen Irak moeten worden opgeheven, te onderstrepen. Als de reis heeft bijgedragen aan het vergroten van de oppositie tegen de economische sancties, is hij geslaagd meent Harry van Bommel die deel uitmaakte van de missie.

Mijn reis naar Irak heeft vooraf, maar vooral achteraf veel tongen losgemaakt. Voor- en tegenstanders van de VN-sancties en voor- en tegenstanders van het sturen van humanitaire missies naar Irak oordeelden ieder op hun eigen wijze. Ik heb de door hen opgeworpen dilemma's moeten bestuderen alvorens ik tot de conclusie kwam dat de sancties moeten worden opgeheven en dat het goed is dit standpunt met een reis naar Bagdad te ondersteunen.

Voorstanders van de sancties betogen dat het regime van Saddam Hussein met massavernietigingswapens zo'n bedreiging voor de hele regio vormt, dat harde maatregelen geboden zijn. Het embargo zou hem ervan weerhouden deze wapens aan te schaffen of te ontwikkelen en ook anderszins zijn expansiedrang intomen. De verantwoordelijkheid voor het lijden door het Iraakse volk als gevolg van het embargo ligt bij Saddam, want met één handeling (meewerken aan de Veiligheidsraadresoluties) kan hij deze sancties laten verdwijnen.

Deze redenering is charmant door haar eenvoud, maar te eenvoudig voor een complex probleem als Irak. Niets in het leven, en zeker niet in internationale politiek, ligt zo eenzijdig zwart-wit dat met dit simplisme kan worden volstaan. De rapporten van diverse VN-organisaties (UNICEF, Olie-voor-Voedselprogramma, Wereld-Voedselprogramma en zelfs een panel van de VN-Veiligheidsraad) schetsen de humanitaire tragedie van het Iraakse volk als direct gevolg van de sanctiepolitiek. Een half tot anderhalf miljoen doden, van wie eenderde jonge kinderen. Gebrek aan medicijnen, drinkwater, voedsel, onderwijs en economische ontwikkeling kunnen onmogelijk worden opgelost door het uitvoeren van een rommelig hulpprogramma als Olie-voor-Voedsel. Twee achtereenvolgende krachten achter dit programma – Von Sponeck en Halliday – stapten om die reden op. En al houdt Saddam zijn eigen volk gegijzeld, dan nog moeten wij ons afvragen of de huidige opstelling in deze gijzeling een prijs van honderdduizenden doden waard is. Ik denk van niet.

Het internationale en humanitaire recht, het VN-Handvest en de Coventies van Genève stellen stuk voor stuk grenzen aan het opofferen van onschuldige burgers door internationale sancties. En ook de VN zelf staan niet boven het internationale recht. Voorstanders van het sanctiebeleid menen dat het opheffen ervan Saddam politiek voordeel zou opleveren. Het zou een beloning zijn voor slecht gedrag. Tegelijkertijd menen zij dat de sancties zoals ze nu bestaan, voordeel opleveren voor het regime, want zij creëren een gezamenlijke buitenlandse vijand en vormen een legitimatie voor de noodtoestand in het land zelf. Men lijkt niet te kunnen kiezen. Tenzij binnenkort onverhoopt partijen opstaan die pleiten voor een `humanitaire interventie' met militaire middelen.

Geen enkel politiek voordeel mag opwegen tegen honderdduizenden doden. De economische sancties moeten dan ook worden opgeheven, zodat het volk van Irak weer in zijn eigen behoefte kan voorzien en opnieuw een middenklasse kan worden gevormd die oppositie tegen Saddam kan voeren. Tegelijkertijd moeten slimme sancties worden ontworpen om de verantwoordelijke Irakese leiders onder druk te zetten en moet natuurlijk – ook hierover bestaat nergens verschil van mening – het wapenembargo worden gehandhaafd.

Een ander dilemma betrof het reizen naar Bagdad om dit standpunt uit te dragen en kracht bij te zetten. Tegenstanders van deze missie – zij bevinden zich onder zowel voor- als tegenstanders van de sancties – vrezen dat hiermee het Irakese bewind wordt gelegitimeerd en een rentree kan maken op het internationale politieke toneel. Elke reis zou voor propaganda gebruikt worden, met name tegen de eigen bevolking. Het zou de eensgezinde internationale coalitie tegen Saddam in gevaar brengen. Ook zijn er tegenstanders van de sancties die niet naar Irak zouden gaan om zo te voorkomen dat zij worden geïdentificeerd met het regime in Bagdad. Al deze risico's zijn reëel.

We hebben in Bagdad geconstateerd dat het Iraakse journaal beelden uitzond van de aankomst van de delegatie. Hoewel wij het commentaar natuurlijk niet konden verstaan, is wel duidelijk dat deze missie voor binnenlandse propaganda is gebruikt. Maar in vergelijking met de persoonsverheerlijking van Saddam Hussein die van de televisie afstraalt, stak het item `humanitaire missie uit Europa' mager af. De internationale gemeenschap maakt haar afwegingen over de legitimiteit van het regime echter niet op basis van Iraakse propaganda, en ook de positie van Saddam Hussein in de internationale politiek zal door onze reis niet wezenlijk zijn beïnvloed.

De wereldwijde coalitie tegen het bewind in Bagdad is echter een ander verhaal. Ten eerste is het een mythe dat `de internationale gemeenschap' de sancties zou steunen. Een meerderheid in de VN doet dat zeker niet. Sterker: van de permanente leden van de VN-Veiligheidsraad zijn slechts Amerika en Engeland nog voorstander van het huidige beleid. Nederland isoleert zich met zijn steun hieraan steeds verder van de wereldgemeenschap. Als wij met onze reis kunnen bijdragen aan het vergroten van de oppositie tegen het economisch embargo, met uitzondering van het wapenembargo, is dat een mooi resultaat.

Het persoonlijke afbreukrisico van deze missie is vooral afhankelijk van hoezeer men er in slaagt de eigen visie op de problematiek naar voren te brengen en je niet te laten sturen door de omstandigheden. Ik ben daar in geslaagd door te weigeren handen te schudden met vertegenwoordigers van het regime en niet deel te nemen aan officiële ontvangsten. In Bagdad – toch het hol van de leeuw – hebben wij aan vice-premier Tareq Aziz persoonlijk een brief overhandigd. Daarin stond behalve onze visie op de sancties ook, en in niet mis te verstane bewoordingen, ons standpunt ten aanzien van het regime zelf en de barbaarse binnenlandse en buitenlandse politiek die wordt gevoerd.

Het stellen van een concrete daad tegen de onmenselijke sanctiepolitiek was mijn antwoord op de dilemma's rond Irak. Andere Nederlandse politici worden hierbij uitgenodigd net zo duidelijk te zijn over hún standpunt.

Harry van Bommel is lid van de Tweede Kamer en maakt deel uit van de fractie van de SP.

    • Harry van Bommel