Repelsteeltje

Het Tooneel is in de Hemel – De tempel (in een ondergrondse bunker) van de God van de Market Forces (Beschermer van Microsoft en van de Farmaceutische Industrie, Schutspatroon van de National Rifle Association, Type Caster voor de omroepers van CNN, Verfoeier van Ralph Nader, etc. etc. etc.).

Aan de wanden portretten van Margaret Thatcher, Ronald Reagan, Bill Gates, Rupert Murdoch, Newt Gingrich, Eminem, Nina Brink, Jerry Springer en vele anderen. Overal vergulde dollartekens, gouden handdrukken, steekpenningen, valse voorspiegelingen, verscheurde overeenkomsten, vijandige overnames, scalpen van schrijvers en journalisten.

Personages:

Apollion, Gods geheimenistolk

Arnon Grunberg, schrijver

Grunberg (tot Apollion): Hello Mister! (Kijkt om zich heen) O wat is het hier mooi, dit moet de hemel zijn!

Ap: You bet, de zakenmannenhemel.

Gr: Een zakenman ontmoeten, een echte manager, dat is mijn grootste verlangen.

Ap: You're in luck, ik ben een manager. Wat wil je?

Gr (gretig): Please Mister, may I lick your ass, Mister?

Ap: Hold it, junior, what makes you so eager?

Gr: Gee, Mister, onderwerping aan het Vrije Marktmechanisme natuurlijk. En mijn geestdrift om Amerika te hulp te komen.

Ap: Waarom heeft Amerika toch zo'n aantrekkingskracht op mensen als jij? Al die baseballpetjes, die T-shirts met de emblemen van Amerikaanse universiteiten, die Nikes, dat slechte Engels, die sixties look... (Bekijkt Grunberg van top tot teen) Are you trying to look like Bob Dylan? En wat heb je daar in je hand?

Gr: Dat is de tekst van een artikel van mij, Mister, zelf geschreven, tegen Rudy Kousbroek, die boze tegenstrever van het Marktmechanisme, die Amerika de Grote Satan heeft genoemd en ayatollah Khomeiny als een grote ziener heeft geprezen.

Ap: O ja, hahaha.

Gr: Moet u daarom lachen? Dat was toch heel erg?

Ap: Ik denk niet dat het helemaal ernstig gemeend was.

Gr: Hoezo niet?

Ap: Dat was ironie. Je weet wie Kousbroek is?

Gr: Nee of ja of nee eigenlijk; zoals ik hier al schreef, dat was vóór mijn tijd.

Ap: Atta boy, zo mag ik het horen. Van vóór jouw tijd hoef je niets te weten. Te veel weten is nergens goed voor.

Gr: Door de mensen van vóór mijn tijd is toch immers nooit iets verstandigs gedacht, dat weet iedereen.

Ap: Precies, en je hoeft je ook niet te bekommeren om wat iemand werkelijk gezegd heeft, je mag er gerust iets heel anders van maken, en daar dan tegen van leer trekken.

Gr: Ja! zoals over de varkens, Kousbroek had geschreven dat de Dierenbescherming op het hoogtepunt van het varkensdrama niets beter wist te doen dan een campagne tegen het klonen te beginnen. Daar heb ik toen van gemaakt dat het beter is dat er dagelijks tienduizend biggen worden gedood dan dat één mens zijn been verliest. Het sloeg nergens op – alsof die varkens mij een barst kunnen schelen – maar het klonk heel stoer. Net als wanneer ik schrijf: `Het is een leugen dat er dankzij Disney geen mooie films meer worden gemaakt', terwijl Kousbroek nooit iets van die strekking heeft gezegd. But that makes me feel good. Please Mister, can I lick your ass now?

Ap: Not so fast, young man, hoe zat het nu eigenlijk met Karel van het Reve? Je schrijft hier: `Als Kousbroek Karel van het Reve beter had bestudeerd had hij kunnen weten hoe onzinnig het is om te denken dat vroeger alles beter was.' Dat is een gotspe! Wat je citeert komt uit een recent krantenstukje van Wesseling, maar volgens mij heb je zelf nog nooit een letter van Karel van het Reve gelezen.

Gr: Nee, da's ook van vóór mijn tijd.

Ap: Ja, anders zou je wel weten dat Karel, wanneer hij zei dat er geen sprake was van verarming, immers voor alles kwam wel weer iets anders in de plaats, dat hij dat ongetwijfeld ook niet voor 100 procent meende .

Gr: O, was dat soms ook weer ira.. iro..?

Ap: Ik vrees van wel ja. Van wat jeugdige studenten allemaal niet wisten en wat er bij hen voor in de plaats kwam, daar had Karel een fameus repertoire van anekdotes over. En lees ook maar eens wat hij schreef over de colleges van Nabokov en die van Gomperts in Freud, Stalin en Dostojewski, uit 1982.

Gr: Way before my time, Mister. Weet ik veel wat die ouwe man allemaal beweerd heeft, ik maak er toch gewoon van wat in mijn kraam te pas komt. Niet lang geleden heb ik Karel van het Reve en Kousbroek in mijn Yasha-column nog als sympatisanten van de Ku Klux Klan beschreven. Dat is immers het beginsel dat ik vertegenwoordig: objectieve waarheid bestaat niet, dat is voor voorbije generaties; de waarheid is gewoon wat in de mode is en waar ik belang bij heb.

Ap: Good for you, little fella. Dat is de wet van de vrije market forces.

Gr: Wat het ook altijd goed doet is je eigen angsten op de ander projecteren. Beschrijf hem als bang. Bang waarvoor? Voor de moderne wereld. Zo raak ik bijvoorbeeld steeds in de war als ik probeer om met de afstandsbediening van de tv mijn drankrekening te pinnen; ik weet geen raad met elektronica, ik kan niet eens mijn eigen video programmeren. Maar dan schrijf ik gewoon dat Kousbroek een verongelijkte ouwe man is die niet weet hoe een strippenkaart werkt, daar hijs ik me dan aan op.

Ap: Jeugd en ouderdom, daar ben je inderdaad wel erg intens mee bezig.

Gr: Ja, oud worden, daar ben ik panisch bang voor. Ik heb moeite om aan iets anders te denken. Daarom wil ik ook voortdurend geamuseerd worden.

Ap: Heel goed, dat is precies waar de commercie op inspeelt, daar moeten we het van hebben.

Gr: So please, Mister zakenman, can I kiss your ass now?

Ap: Hold your horses, krullebol, eerst even dit nog, je schrijft hier: 'Ik dacht, in Kousbroeks volgende alinea lees ik: `Zoals de grote denker en filosoof Julius Streicher, helaas ondergewaardeerd in Nederland, reeds opmerkte: de bankiers in de Verenigde Staten zijn ons ongeluk.' Dat is niet gering, wat je daar zegt. Weet je wel wie dat was, Streicher?

Gr: Nee, allemaal vóór mijn tijd! Wij jongeren mogen zulke dingen zeggen, we weten immers niet waar we het over hebben! Please Mister, let me...

Ap: Kom kom, Grunberg, jij bent geen jongere meer en je weet donders goed wie Streicher was.

Gr: Ja, nou ja, misschien, maar daarna schreef ik toch: `Maar Streicher hoefde Kousbroek er niet meer bij te slepen, het bleef bij de ayatollah.' Intussen had ik hem er zelf dus wel bijgesleept, maar ik ga vrijuit, niemand kan zeggen dat ik Kousbroek voor Streicher uitmaak. Ik doe niet meer dan ze in één adem noemen. Zo kan niemand mij wat maken. Het staat er en het staat er niet! Slim van mij, hè? Now please Mister, just once...

Ap (bewonderend): Je bent best wel een infaam onderkruipseltje, zo olijk als je er uitziet.

Gr: Ja, in Nederland heeft dat veel succes, daar vinden ze mij zo'n enig joch, zo leuk, zo brutaal, vraag maar aan Hanneke Groenteman. But now please, please Mister, just one little lick...

Ap: En dan aan het eind noem je Kousbroek nog een Messerschmidt 109, bezig aan zijn laatste noodlanding. Wat wou je daarmee zeggen?

Gr: Nou, het was natuurlijk allemaal ver vóór mijn tijd, maar ik wou nog eens zo'n beetje suggereren dat-ie een nazi is, de laatste nazi.

Ap: Waarom zeg je dat dan niet in zoveel woorden?

Gr: Omdat ik daar te laf voor ben. Maar dat is een geheim, daar wil ik niet over praten.

Ap: Welkom in de Zakenmannenhemel!

Gr (een pauze): Niemand weet wie ik ben. Hoe heet ik?

Ap: Jawel, ik weet wel wie je bent, jouw naam is Repelsteeltje. Repelsteeltje Grunberg.

(Hier klinkt een donderslag. De belichting verandert, het toneel wordt donker, alleen Grunberg blijft zichtbaar. Bliksemflitsen, aanzwellende muziek uit Götterdammerung. Hij strompelt rond, rukt aan zijn kleren).

Gr: Ik leef in een sprookje! Ik wou zo graag een zakenman.. een echte manager...Please Mister, just once.. (Hij grijpt in zijn haar. Het laat los, het blijkt een pruik te zijn. Wat overblijft is een kaal oud mannetje. Hij gaat op het toneel zitten. Een rimpelig oud kereltje met een kale kop).