Naar het zuiden

WASHINGTON DC/NEW ORLEANS. Eén keer per dag gaat er een trein, genaamd Crescent, van Washington DC naar New Orleans. De reis duurt 25 uur. In de wachtkamer in Washington zaten zestien mensen die met deze trein mee wilden. Een mevrouw van de spoorwegen riep om: ,,Mensen met kinderen mogen eerst aan boord''. Achter de mensen met kinderen liep ik de trap af naar het perron. Er werd niet gesproken. Een meneer had zijn huisdier bij zich in een witte doos. Het was me niet helemaal duidelijk of ik een gereserveerd bed had of dat ik om een bed zou moeten vechten. Het perron was slecht verlicht. Er stonden wagens met ijzeren wielen die aan zwartwit-films deden denken. Ik bleef staan voor de slaapwagen. Een conducteur hielp me met mijn bagage, vroeg mijn naam, keek op een lijst en zei: ,,Cabine 3''. Niemand wist waar ik heenging. Ik had gezegd dat ik er een paar weken niet zou zijn, omdat ik naar het zuiden ging. Ik wist zelf niet waar ik heen ging. Ik had een pas gekocht waarmee ik onbeperkt per trein door Amerika kon reizen. Een minderjarige vrouw met een kind op haar arm wrong zich langs me heen. Verderop schreeuwde iemand ,,ik heb geen dekens''.

Toen stond ik voor cabine 3.

De cabine bestond uit twee stoelen, een bed, een uitklapbare wastafel, een wc direct naast het hoofdkussen, gordijnen, een spiegel en een kleine tv die het niet deed. Het was goed dat ik niet erg lang of dik ben, want daarop was de cabine niet berekend. De meneer die geen dekens had, schreeuwde nog steeds, maar nu iets harder. Ik klom op de wc om het bed te inspecteren en tot mijn genoegen merkte ik dat ik niet alleen dekens had, maar ook lakens en een hoofdkussen. Waar ik mijn bagage moest laten, was me alleen niet duidelijk tot ik een gat in het plafond ontdekte dat daarvoor kennelijk bestemd was. Met mijn ene voet ging ik op de uitklapbare wastafel staan, met de andere op het bed en zo duwde ik mijn koffers in het gat. Daarna sloot ik de deur, deed de gordijnen dicht en maakte gebruik van de wc. De mens heeft eigenlijk niet meer nodig dan een royale klerenkast. De rest is luxe, veelal overbodige luxe. De trein zette zich in beweging en er werd hard op de deur geklopt. ,,Moment'', riep ik en knoopte mijn broek dicht. ,,Ze wachten op je met eten'', zei de conducteur en wees in de richting van de restauratiewagen. ,,Natuurlijk'', zei ik, ,,ik kom eraan.'' Ik stopte mijn belangrijke bezittingen in mijn jas en deed die aan. Voor de zekerheid nam ik ook mijn scheermes mee. Je weet het nooit op zo'n trein. De deur van de cabine kon wel van binnen op slot, maar niet van buiten. In de restauratiewagen stonden rode leren banken en tafels met witte tafellakens waarop kleverige plastic menukaarten lagen. Het deed denken aan het restaurant van een goed hotel in Oost-Berlijn eind jaren zeventig. Ik was de enige reiziger die in zijn winterjas in de eetzaal was verschenen. Snel deed ik die jas uit en hing hem over mijn arm. Een dame van de eetafdeling kwam op me af. ,,We moeten je bij andere mensen aan tafel zetten'', zei ze, ,,we hebben plaatsgebrek.''

Ik kreeg een tafel waaraan al drie mensen zaten, twee mannen en een vrouw. We knikten naar elkaar. De dame naast mij rukte nog een paar centimeter op in de richting van het raam. Een been stootte tegen de mijne. Het zag er naar uit dat het redelijk intiem zou worden. ,,Hoe lang ben je al onderweg?'' vroeg de man tegenover me.

,,Ik ben net ingestapt'', zei ik.

,,Ik ben al meer dan zeven uur onderweg'', zei hij, ,,ik kom uit Boston en ik ga naar Tucson.''

De vrouw naast me was op weg naar haar kleinkind in Austin. En de man tegenover haar ging nergens heen. Hij reisde nu al een jaar per trein door Amerika. Hij zei: ,,Ik heb elke route nu twee keer gehad. Neem jij vaak de trein?''

,,Dit is mijn eerste keer'', zei ik.

Nu we van elkaar wisten waar we vandaan kwamen en waar we heen gingen, viel er een stilte die na vijf minuten werd gevuld door de ober.

,,Ik ben Bobby'', zei hij, ,,gaan jullie allemaal mee tot New Orleans? Dan zien jullie me morgenochtend en mordenmiddag en morgenavond. Ik zal wat zingen.'' Bobby kwam uit China. Hij werkte al vijftien jaar voor de spoorwegen en hij hield van zingen. Verder was hij ervan overtuigd dat alle restauratiewagens Chinese restaurants moesten worden, omdat er dan meer mensen zouden komen eten.

,,Hoe is de kip?'' vroeg de vrouw die onderweg was naar Austin.

,,Prima'', zei Bobby, ,,heeft mijn schoonmoeder gebakken. We hebben net nieuwe ovens. Neem allemaal maar kip. Rijst of gebakken aardappel? En drinken? IJsthee, limonade, sprite, cola, op de wijn moeten jullie even wachten, want de wijnkar zit op slot en we kunnen de sleutels niet vinden. Ik zal jullie eerst water brengen, dan kunnen we rustig nadenken.''

Bobby liep weg.

,,Zo doet hij altijd'', zei de man die al een jaar per trein door Amerika reisde. De mevrouw naast me sloeg haar menukaart dicht. ,,Nouja'', zei ze, ,,hij maakt in ieder geval wat van zijn beroep.'' De sleutel van de wijnkar werd niet gevonden. De kip was groot. De gebakken aardappel ook en de man tegenover me zei: ,,Ik werkte voor NASA, toen moest ik naar Tucson verhuizen, en ik ben er maar gebleven. De winters zijn er zacht. Hoe zijn de winters bij jullie?'' Bobby gaf ieder van ons een handvol chocolade mee. ,,Lekker om op te kauwen in bed'', zei hij. De conducteur achtervolgde me naar mijn cabine. ,,Wil je gewekt worden?'' vroeg hij, ,,of wil je de hele reis doorslapen?''

,,Wek me maar om acht uur'', zei ik.

Ik trok het stapelbed een paar centimeter naar beneden. Zittend kleedde ik me uit. Mijn bril en toilettas deponeerde ik in een kleine mand die naast het hoofdkussen hing. Direct boven de wc. Daarna ging ik op bed liggen. De spoorwegen hadden de reiziger de gelegenheid geboden de benen en het bovenlijf vast te binden, opdat men niet uit bed zou vallen. Ik besloot van die service gebruik te maken en bond zowel mijn benen als mijn bovenlijf stevig vast. Ik voelde me erg thuis en was gelukkig. Wel werd ik vaak wakker door het aanhoudende getoeter van de trein. En uit de cabine naast me kwamen geluiden alsof daar twee mensen elkaar aan het afslachten waren. Maar het kan ook zijn dat ze het toilet vaak doortrokken. Toen ik merkte dat ik nog altijd stevig vastgesnoerd lag, sliep ik weer vredig in.

Precies om acht uur werd er op de deur geklopt. ,,Wakker worden'', riep de conducteur, ,,ze wachten op je met het ontbijt.'' Het leek een beetje op een kostschool, maar dan vriendelijker. Ik wilde me losmaken en ontdekte dat dat niet lukte. Hoe harder ik trok aan de riemen waarmee ik mezelf had vastgesnoerd, hoe strakker ze om me heen kwamen te zitten. Paniek sloeg toe. Paniek is het onuitroeibare idee dat anderen negatieve gedachten over je hebben die daden worden als je niet oppast.

Laten we eerlijk zijn, iemand die zichzelf vastbindt in een trein en zich vervolgens niet meer los krijgt, zo iemand verdient onze minachting. ,,Ik kom eraan'', riep ik nog een keer. Uit mijn toilettas haalde ik een nagelschaartje en daarmee knipte ik een van de riemen door. Toen kon ik mijzelf bevrijden. Dat ik mij aan vandalisme schuldig had gemaakt, vond ik een minder ernstig vergrijp dan dat ik mij als een mislukte Houdini had vastgebonden. Toch verstopte ik de doorgeknipte riem zorgvuldig.

In de restauratiewagen kriebelde de geur van gebakken eieren onaangenaam in mijn neus. De kip van gisteravond zat nog hoog in de buik. Het ontbijt was minder druk bezocht dan het diner. Maar de man uit Boston zat al aan een tafel en wenkte. Hij stak me een hand toe. ,,Ik ben Clifton'', zei hij. En daar was Bobby. Hij zong dit keer niet, maar vertelde wel weer veel over zijn schoonmoeder en de nieuwe ovens.

Even later kwam de man die al een jaar aan het reizen was bij ons zitten. We begonnen een familie te worden. ,,Hebben jullie goed geslapen?'' vroeg hij. En zonder op antwoord te wachten: ,,Ik slaap niet. Ik ga altijd in de rookruimte zitten. De rokers die niet kunnen slapen die zingen vaak 's nachts. Ik slaap een uurtje hier, een uurtje daar. En treinen zijn 's nachts ook het mooist.'' De rokers die niet konden slapen, zongen 's nachts in de rookruimte. Meer troost kon je niet vragen, vond ik. Misschien moest ik ook gaan roken. ,,Heeft het personeel ook bedden?'' vroeg ik.

,,Die hebben ze wel'', zei hij, ,,maar de meesten slapen hier gewoon aan tafel.'' Om vier uur was er bingo. Het werd een paar keer omgeroepen: ,,Iedereen naar de restauratiewagen. Er is bingo. Mooie prijzen te winnen. Het enige wat je nodig hebt is een pen.'' Ik ging er heen. In een trein moet je je niet onttrekken aan de gemeenschap. Het was afgeladen in de restauratiewagen. En heet. Vriendschappen werden geboren. Ik won een T-shirt. Toen ik naar voren moest komen om het T-shirt in ontvangst te nemen, was er weer die paniek dat ik iets onwelvoegelijks zou zeggen. Of dat de conducteur zou roepen: ,,Dit is de man die zichzelf vannacht heeft vastgebonden en niet meer los kon komen.'' Ik hield het T-shirt omhoog en iedereen applaudisseerde. Na de bingo kwam Clifton naar me toe. ,,Ik ben pas over drie dagen in Tucson'', zei hij. Maar het leek hem niet te spijten. Ik had het idee dat het hem niet lang genoeg kon duren voor hij weer in Tucson was. Dat hij er alles aan zou doen om nooit meer in Tucson aan te komen.