Luctor et

Een tot nog toe slecht gevulde afdeling van de onderkast betreft boeken over verlaten en verzonken eilanden. Veel verder dan Jan Wolkers' Groeten van Rottumerplaat (1971) en A. MacGregors geïllustreerde A lost voyage to St Kilda (1931) was ik nog niet gekomen. MacGregor schreef een wonderlijk verhaal over een `egotistic' privé-secretaris die ten tijde van de algehele evacuatie van het eiland (de overheid van de Schotse Hebriden vond het wonen daar in 1930 te gevaarlijk worden) door diezelfde overheid van het eiland werd afgeplukt, toen hij tegen alle beleid in de overleving van Robinson Crusoë nog eens over wilde doen, en dan beter. Ik kan me die privé-secretaris goed voorstellen. St. Kilda, het Fiji-eiland Banaba (waar de bevolking werd verdreven omwille van fosfaatwinning), of de Waddenzee-eilandjes Griend (waar de laatste universiteitsstudenten in 1238 in de bankjes zaten en dat sindsdien grotendeels door de golven is opgegeten) of Rottumerplaat (afkalving): zulke eilanden trekken, ik kan er niks aan doen. Ruiken aan de elementen, snuiven in de zilte wind. Weemoed om de mensen die de strijd moesten opgeven, met tegelijkertijd de onnozele gedachte dat ik het zelf wel zou hebben gered. De illusie heer en meester op je eigen, door de zee omsloten eiland te zijn.

Een medemens?

`Rot van mijn grond!'

Er moet dan natuurlijk wel grond over zijn, en dat is niet altijd het geval. Paul de Schippers Orisant beschrijft een verdronken eiland in de Oosterschelde, net als Saaftinghe, Reimerswaal een enclave in het Zeeuwse succesverhaal Luctor et emergo, een plek waar weliswaar veel geworsteld werd, maar het bovenkomen uitbleef.

Je zou Orisant een voetnoot in de Oosterschelde-geschiedenis van de zeventiende eeuw kunnen noemen, het kan niet in de schaduw staan van het eens zo welvarende Reimerswaal. Orisant is nooit een groot eiland geweest. Een slikplaat in de Oosterschelde waar zich gras en zeekraal gingen vestigen, en vogels die zaden van andere eilanden uitkakten. Toen er halverwege de zestiende eeuw genoeg was gegroeid woonden er schaapherders, het werd in 1602 bedijkt, er kwamen een paar keuterboertjes, een geboren toezichthouder liet zich overzetten en toen was er een kleine gemeenschap met toezicht en een galg, in 1639 werd het alweer door de zee verzwolgen. Toch mogen we blij zijn met dat kortstondige mini-eilandje, al was het alleen maar vanwege Paul de Schippers Orisant. De schrijver dook uit het Oosterschelde-water een hoogst romantische geschiedenis op, een historische roman vol rondborstige, arme mensen, vol kracht, oerdrift en uithoudingsvermogen, echte Zeeuwen.

De Schippers Orisant heeft de toon van de jongensboeken die er in honderdvoud van Robinson Crusoë zijn gemaakt. Ik was die toon bijna vergeten, maar mijn geheugen kwam onmiddellijk tot leven bij passages als `Op woensdag 21 juni 1600 hoorde Claes in de verte een trompet. Dat was het signaal van de oorlog', `Nog een paar dagen en ik kan de mest op het land gaan brengen, denkt Hans van Damme', `Droog water, bromt de schipper', `Al uren vóór de vloed zijn hoogste stand moet bereiken, zit Oortsz bij het licht van een kaars te wachten. Luisterend naar het lawaai van de wilde wind, zeker wat betreft de storm, onzeker over het gedrag van de zee.'

Heerlijk. De taal van het jongensboek: Paddeltje, Met Pieter Pikmans het zeegat uit, Fulco de Minstreel of Het beleg van Haarlem.

Prachtig ook de hoekige uitspraken van de Orisant-personages:

`De eb loopt slecht weg, schout.'

`We moeten dat gat helemaal buitendijken.'

`Dit is land van de zee, en dat blijft het.'

Paul de Schipper heeft zijn geschiedenis gebaseerd op een aantal bronnen, maar ik moet me sterk vergissen als hij niet het grootste deel van de Orisant-geschiedenis uit de duim heeft gezogen. Hij mag dan hier en daar uit die bronnen citeren, ik zie hem liefst zelf fantaseren: `Op 1 mei 1657 bereikt Janneke, ziekelijk, haar laatste kostadres, het huisje van de weduwe Pieternella van Cruiningen. Een half jaar later, op een novemberdag, bindt Pieternella en bos stro aan haar voordeur vast. Het is zover, zeggen de buren. Die nacht sterft arme, blinde Janneke, uitgeleefd en versleten. Pieternella sluit liefdevol de oogleden over de ogen die al jaren niets meer gezien hebben. De bakker heeft het nieuws al vernomen, komt diezelfde ochtend op bezoek. ,,Hoe ging het? Is ze rustig gestorven?'' ,,Ach bakker,'' zegt Pieternella, ,,wat had ze nog te vertellen aan deze wereld? God heeft haar weggetrokken.'''

Een stichtende boodschap in een romantisch jongensboek: als we eenmaal zijn uitgeluctord, komen we toch nog boven. In dit opzicht ontsnapt Paul de Schippers Orisant aan de onderkast-afdeling `Verlaten en verzonken eilanden'. Je ontkomt er niet aan als onderkast-beheerder. Boeken gaan altijd óók over iets anders dan ze zeggen te doen. Daar zorgt de lezer zelf wel voor.

Paul de Schipper: Orisant. Verdronken eiland in de Oosterschelde. Een kroniek van gewone, volhardende mensen.

Ad. Donker, 278 blz. ƒ37,90