Knoeien met de eeuwigheid

Het Louvre heeft de piramide van Pei, het British Museum heeft sinds deze week de Great Court van Norman Foster. Londen is trots op het fraaie binnenplein, maar die Franse zandsteen is schandalig.

Bejaarde puzzelaars en zwervers op zoek naar een kachel kwam je niet gauw tegen in de oude British Library, die tot 1998 deel uitmaakte van het British Museum. Een boek inzien onder de blauw-met-gouden reuzenschedel van de Round Reading Room was niet weggelegd voor members of the public. Je moest kunnen aantonen dat je er écht iets te zoeken had.

Stoffige mannetjes in jacquet kwamen de gevraagde boeken op het blauwe leer van je tafel leggen en haalden ze weer op. Je wist nooit zeker of je niet toevallig op dezelfde stoel zat waarin Karl Marx nog aan Das Kapital had zitten schrijven. En of dat bruine brokje in het woordenboek nog uit de neus van Bertrand Russell was gekomen. Praten was taboe en zelfs bij fluisteren gingen links en rechts wenkbrauwen heel ver omhoog. Een laptop meenemen? Het idee! Een kop koffie? Verbannen voor het leven.

Twee jaar geleden verhuisden de twaalf miljoen boeken op 243 kilometer boekenplank naar een eigen onderkomen naast het St Pancras-station, met roltrappen en tl-buizen. Daarmee kreeg het British Museum na anderhalve eeuw zijn geleidelijk volgebouwde binnenplaats terug. Woensdag opende koningin Elizabeth het door de Britse architect Norman Foster gerestaureerde en met een glas-en-staalconstructie overkapte Great Court. Sinds gisteren is het voor het eerst in 150 jaar open voor publiek.

Na Tate Modern heeft Londen er opnieuw een statige openbare museumruimte bij, het grootste overdekte plein van Europa, het Londense antwoord op de piramide van Pei bij het Louvre in Parijs.

De gebouwencarré van het British Museum, de schatkamer van de Britse eilanden en het voormalige Empire die permanent verstopt zat met zes miljoen bezoekers per jaar, heeft nu een centraal `verkeersplein' met cafés, een restaurant en winkels. Van daaruit zijn de museumafdelingen nu rechtstreeks toegankelijk, in plaats van alleen via een andere afdeling.

En in het midden van The Great Court staat nog steeds die ronde Reading Room. Van buiten voorzien van een zandstenen mantel, van binnen zoals hij er bij de opening in 1857 uit gezien moet hebben. En voor het eerst kan iedereen er zomaar binnenlopen en gaan zitten lezen aan de gepolitoerde tafels die als vanouds zijn opgesteld in de vorm van een wagenwiel. Want er staan weer boeken: 25.000 naslagwerken die verband houden met de museumcollectie. Een laptop meebrengen mag ook. Sterker, het British Museum heeft er zelf tientallen beeldschermen neergezet waarmee de collectie elektronisch toegankelijk is gemaakt.

Franse zandsteen

Maar het British Museum zou het British Museum niet zijn zonder een knallende ruzie. De afgelopen maanden klonk het gescheld boven de drilboren en zandstraalkanonnen uit. Over het bestemmingsplan voor de wijk Bloomsbury waarmee het museum zou hebben geknoeid. Over de knieval die het zou maken voor het massapubliek met oppervlakkige spektakeltentoonstellingen als Gladiators and Caesars. En onvermijdelijk ook over de laatste fase van The Great Court.

Sir Jocelyn Stevens, oud-chef van de English Heritage, een nationale erfgoedbeheerder die meebetaalde aan de verbouwing van ruim 100 miljoen pond (bijna 400 miljoen gulden), heeft de museumleiding van plichtsverzuim beschuldigd. Het bestuur zou niet hebben voorkomen dat voor het nieuwe zuidportaal, de neoklassieke hoofdtoegang tot het binnenplein, de verkeerde zandsteen is gebruikt.

Niet zomaar de verkeerde zandsteen, maar ,,goedkope, inferieure en te lichte'' Franse zandsteen in plaats van de Engelse Portlandsteen waaruit de rest van het museum is gebouwd. In een land dat zijn afkeer van het continent óók beschouwt als deel van het nationale erfgoed, krijgen zulke argumenten extra gewicht. Het British Museum ,,is gebouwd voor de eeuwigheid, maar ze hebben ermee geknoeid'', aldus een blazende Stevens, die het hoofd eiste van bestuursvoorzitter Graham Greene. Plus twee jaar uitstel van de plechtige opening om het zuidportaal te vervangen.

De vier Ionische zuilen staan er nog steeds, en evenmin rolden er koppen over de trap naar buiten. De museumdirectie gaf toe door de (Engelse) bouwer `genept' te zijn, weigerde de laatste termijn van diens rekening te betalen en sluit een gerechtelijk onderzoek naar fraude niet uit. Maar ze poogt vooral de schade aan het imago te beperken.

,,Of het nu de goede of de verkeerde steen is, we hebben het goede resultaat'', zegt managing director Suzanna Taverne. Zeker, het portico oogt een stuk lichter dan de grijzige steen aan weerszijden, maar dat is alleen omdat het nieuw is. ,,Als ik mijn huis voor de helft opnieuw schilder, zie je ook precies wat oud en wat nieuw is, al gebruik ik exact dezelfde verf'', valt een betrokken ingenieur haar bij.

Norman Foster, de architect die onlangs door premier Blair in de adelstand is verheven, denkt er net zo over. Londen heeft niet zo'n best klimaat. Twee oorlogen en een eeuw smog, ,,dat laat dat nu eenmaal sporen op de muren na'', zegt de in zwarte klederdracht gestoken Lord in een gesprek met buitenlandse journalisten in de Reading Room. ,,Je kunt zo'n nieuwe façade wel met roet gaan inwrijven, maar dat is pretentieus. Als je een historisch gebouw regenereert, moet je vermijden dat je een pastiche op het verleden maakt. Er is geen conflict tussen het nieuwe en het oude, maar ze versterken elkaar. Juist dan zie je dat zo'n gebouw een historisch weefsel is, waarin elk onderdeel van zijn eigen tijd is'', aldus Foster.

Ja, waar maken de critici zich eigenlijk druk over, vraag je je af als je de leeszaal uitstapt. Het portaal er recht tegenover mag inderdaad een tint lichter zijn dan zijn omgeving, maar waarom niet liever gezeurd over de originele bakstenen buitenmuur van de Reading Room die is bekleed met een laagje zandsteen, uit Spanje nog wel? Eromheen spiralen bovendien twee brede, aan Fosters fantasie ontsproten trappen naar een fonkelnieuw café op goothoogte, vlak onder het nieuwe dak. In de muur van de leeszaal staan de namen van particuliere sponsors en multinationals gehakt. En de daklijst vermeldt in pseudo-klassieke letters dat het plein AD 2000 is opgedragen aan Queen Elizabeth II. Alsof dat historisch allemaal niet zou vloeken.

Rijksdag

En toch hebben de erfgoedridders een punt. Want The Great Court ís onecht. Maar dan in de zin van kunstmatig, onwerkelijk. Niet door onauthentiek bouwen, maar door het nieuwe dak van staal en glas.

Uit dezelfde materialen bouwde Norman Foster in de afgelopen jaren onder meer de koepel van de Rijksdag in Berlijn, het nieuwe vliegveld Chek Lap Kok van Hongkong en het Great Glass House in de botanische tuin van Llanarthne in Wales. Het is dat hij óók tekende voor de iele Millennium-brug over de Theems, die maar niet wil ophouden met wiebelen, anders was Foster de onbetwiste wereldkampioen van de zelfdragende constructie.

Uit de lucht gezien lijkt het dak over The Great Court op een half opgepompt luchtbed waar een groene bal in is gevallen: de koepel van de leeszaal. Van onderaf gezien word je bijna duizelig van de wirwar van stalen kringen die de lucht in zevenduizend driehoekjes verdelen. Erachter zie je bij helder weer wolken voorbijschuiven, maar het is niet echt de lucht, eerder of je door het facetoog van een reusachtig insect kijkt.

Hoewel het getinte glas nauwelijks meer dan de helft van het daglicht doorlaat, is het licht op het plein ongekend fel. En diffuus, omdat de glazen facetten het verstrooien. Door al die lichte zandsteenwanden, de vloer incluis, lijkt het soms niet eens van boven te komen. Het knoeit met je schaduw en je zintuigen, je gevoel voor afstanden en proporties.

Je wéét dat dat nieuwe zuidportaal twintig meter hoog is, maar als je er in dat licht een tijdje naar kijkt, krijg je het beangstigende gevoel dat het best zestig kan zijn of vijfhonderd meter. Of het lijkt juist héél klein, maar in dat geval ben je zelf niet groter dan een mier: één van die poppetjes zonder gezicht die architectuurtekeningen bevolken. Een figurantje in Norman Fosters maquette van The Great Court. Het is wat Marguérite Yourcenar zei over de `dronken ruimtes' die Piranesi in zijn serie imaginaire gevangenissen etste: een koortsdroom waarin claustrofobie en pleinvrees om voorrang strijden.

Foster zegt dat The Great Court `een ideale stad' moet worden, warmer in de winter en koeler in de zomer dan de echte stad eromheen. Of het als museumruimte slaagt, moet eerst blijken. De beelden die er staan – zoals een Egyptisch obeliskje, een Angelsaksisch kruis, een Venetiaanse leeuw, een menhir – maakten onder hun plastic hoezen deze week nog een licht ontheemde indruk.

Stap de leeszaal nog een keer binnen, waar normaal kunstlicht domineert, en je zintuigen zijn meteen opnieuw geijkt. Of sluip door een van de portalen het plein af de oude museumzalen in, en je kijkt met nieuwe ogen. Niet naar de vitrine met de Magna Charta en Robert Scotts laatste ontroerende dagboekblad op de Zuidpool, want die zijn helaas met de Library verhuisd. Wel naar de schoolmeisjes in geruite rokjes, die daar al sinds 1951 mummies zitten na te tekenen. Of naar het huilende jongetje dat genoeg mummies heeft gezien voor een dag. En naar de vrouw die haar twee zoontjes vertaalt wat er in een oude steen staat gegrift, rechtstreeks van het Assyrisch in het Duits.

The Great Court in het British Museum, Gt Russel St, Londen. Ma t/m wo 9-21 uur; do t/m za 9-23 uur; zo 9-18 uur; inl. 004420 7323 8000 en www.thebritishmuseum.ac.uk