Is het denkbaar?

`Sluit sloop van het Rijksmuseum niet uit', is de kop boven het artikel van de architect Hans van Olphen, in deze krant van 5 december. Ik dacht: een stadsvernieuwer uit de school van commissaris Kaasjager (die in de jaren vijftig de grachten wilde dempen). Een vergissing. Van Olphen doet een zorgvuldig onderbouwd voorstel, waarbij hij voornamelijk planologische argumenten gebruikt. De grondslag van zijn redenering is, dat het stadsbestuur in 1876, met het besluit om de kolos van Cuypers daar neer te zetten, de verbinding tussen het centrum en het zich ontwikkelende zuiden heeft geblokkeerd. ,,Dezelfde Cuypers bouwde in 1889 aan de andere zijde van de stad het Centraal Station, eveneens een definitieve afsluiting van Amsterdam, deze keer naar het IJ'', schrijft Van Olphen. ,,Tot op heden plukt de stad nog steeds de wrange vruchten van deze miskleun.'' Het Rijksmuseum, de binnenstad en Zuid krijgen nu een `herkansing'. ,,Als ooit sprake is geweest van een fantastische start voor de nieuwe Rijksbouwmeester, dan is het wel hier en nu'', besluit Van Olphen zijn geestdriftige artikel. Ik probeer er een domper op te zetten.

Is, om te beginnen, de keuze van de plaats voor het CS zo'n `miskleun' geweest? In beschouwingen over de stad hoort dit oordeel op het ogenblik tot de meest herhaalde idées reçues, ongetoetste gemeenplaatsen. De werkelijkheid is anders.

In de periode dat de spoorwegen tot ontwikkeling kwamen, hebben alle grote steden zich erop toegelegd, het centrale station (of stations) zo dicht mogelijk bij het centrum te bouwen. Parijs, Berlijn, New York, in geen stad is men op het idee gekomen een buitenwijk uit te zoeken. In Amsterdam, met zijn concentrische opbouw, was er geen betere plaats dan die waar het CS nu ligt: in het midden van de stad en bovendien aan de haven. De laatste roestige resten van oude rangeerterreinen en de KNSM-terminal getuigen nog van de oude functie in het handelsverkeer.

In het centrum verrezen de nieuwe bankgebouwen. De grote handelshuizen kregen een nieuwe impuls. Er kwamen grote internationale hotels. De enorme ontwikkeling van de luchtvaart en het verkeer over de weg is pas een halve eeuw geleden begonnen. In de periode daaraan voorafgaand had iedere metropool zijn vitaliteit voornamelijk te danken aan zijn goede spoorverbindingen. Over de vraag of men voldoende uitzicht op het water had, bekommerde men zich minder. Amsterdam had en heeft al de Amstel, en juist bij het CS is het IJ niet veel groter dan het Uddelermeer.

Probeer wat virtuele retrospectie. Wat zou er van de Amsterdamse binnenstad zijn geworden als het CS niet op die plaats was gebouwd, maar bijvoorbeeld waar nu het Concertgebouw staat. Daar strekte zich toen een drassige vlakte uit. Er waren geen vestigingen van groot-kapitalistische expansie; even verderop werd voor het eenvoudige volk gebouwd. Van luchtvaart had niemand gehoord. Het zou nog veertien jaar duren voor de gebroeders Wright voor het eerst opstegen. Er was in ieder geval een grote kans geweest dat de binnenstad in haar eigen ontoegankelijkheid van water, nauwe grachten en stegen verkommerd was. Kortom, ik veronderstel dat het CS in die tijd, volgens de toen geldende maatstaven, op de goede plaats is gebouwd, en dat Amsterdam en de rest van het land daarvan nog steeds profijt hebben.

Of het Rijksmuseum de verbinding tussen binnenstad en Zuid heeft afgesneden is een vraag van een andere orde. Ontegenzeggelijk staat het daar als een onverbiddelijke vesting. Die functie is enige tientallen jaren geleden nog versterkt door de twee kantoorvilla's van Van Gool (die ik nu op zichzelf veel beter vind dan toen ze werden gebouwd – heb ik al een paar keer bekend). Op deze plaats werken ze als toegevoegde vestingwerken. Van het zuiden uit gezien links daarvan krijgen we dan de brug naar de Weteringschans, en het éénrichtingverkeer van de Spiegelgracht. Bijzonder toegankelijk is dit alles niet. Dat geldt trouwens ook voor de andere zeven radiaalverbindingen. De doorbraken van de Vijzelstraat en de Rozengracht konden als zodanig dienen in een ver verleden, maar in deze tijd van het funshoppen zijn ze niet meer dan congestie veroorzakende sleuven. Op zaterdagen en zondagen is de Dam het middelpunt van een rattenkoning van blik.

Daarin moet nu juist verandering komen, zal de heer Van Olphen waarschijnlijk zeggen. De afbraak of de halve afbraak van het Rijksmuseum, om daarvoor liefst een eigentijds gebouw met dezelfde functie in de plaats te zetten, moet gepaard gaan met de aanleg `van een royale doorgaande route voor voetgangers en fietsers'. Zeker. Leg dat de Amsterdammers en het gemeentebestuur maar eens overtuigend uit. De hoofdstad heeft een van de mooiste fijnmazige systemen van openbaar vervoer ter wereld, maar met wat erop rijdt, hoe het rijdt, als het rijdt, blijft het tobben sinds de eerste elektrische tram voor de eerste rit vertrok. In deze tijd staat of valt iedere vernieuwing, iedere verbetering van de toegankelijkheid met de kwaliteit van het openbaar vervoer. Sloop van het Rijksmuseum geeft geen enkele garantie dat de niet-fietsende Amsterdammer per tram sneller in de Bijenkorf zal zijn. Daar komt het op neer. Veronachtzaming van dit onopgeloste vraagstuk verzwakt het betoog van de heer Van Olphen.

Ten slotte de algemeen menselijke kant. Het Rijksmuseum is geworteld in het Amsterdamse stadsbeeld. Dit geworteld zijn is de Amsterdammers even dierbaar als het gebouw zelf. Sloop zouden ze ondergaan als een verbouwing van hun huiskamer, het doorzagen van de canapé, omdraaien van de televisie, wat je je verder voor barbaars in je huiskamer kunt voorstellen. Vergelijk het Paleis op de Dam. Roel van Duijn, toen nog provo, vond het een autoritair gebouw, dat in de onbeschaamdheid van zijn steenmassa niets dan gezag uitstraalde. In de publicatie Proost Prikkels van de firma Proost Papier verscheen een panoramische foto waarop het Paleis was weggeretoucheerd. Stond je bij het Nationaal Monument, dan zag je een uitgestrekt plein dat begrensd werd door het postkantoor (nu Magna Plaza), het Telecommunicatiegebouw (Albert Heijn) en de Nieuwe Kerk. Een ruimte als die van de Place de la Concorde.

Ik dacht eraan toen ik in deze krant de fotomontage zag, het Museumplein volgens Hans van Olphen, met het gehalveerde museum als een kreupel Bommelstein. Dan liever helemaal weg, maar dat lukt nooit.

    • H.J.A. Hofland