Ian in Amen

Vriend Ruud had iets bedacht en vroeg of ik mee wilde. Ik wilde wel. Dus stapte ik op een druilerige novemberzondagmorgen in Beilen uit de trein, waar hij me stond op te wachten. En daar gingen we, op fietsen, door het nog stille centrum van Beilen en de natte buitenwijken van Beilen-Noord en daarna de velden en de bossen in. Door Klatering en langs de Noorderkluft naar de bossen van Hooghalen, door het Heuvinger Zand en Het Grote Zand en met een omweg via Geelbroek, Eleveld en Ekehaar naar Amen, eindpunt van onze reis. Amen, vier kilometer van Grolloo, waar de blues nog in de bomen hangt, zeker op een natte zondagmiddag in de herfst.

In Amen zouden we Ian Matthews gaan zien. Ian wie? Ian Matthews, een zanger en gitarist, van wie ik ook niet veel meer wist dan dat hij ooit, eind jaren zestig, deel had uitgemaakt van de toen nogal bekende groep Fairport Convention (met zangeres Sandy Denny), dat hij later voor zichzelf was begonnen en zich aan de gevoelige, akoestische, country- en folkzijde van de rock ophield. En dat hij een mooie stem had, ook al had ik die al minstens vijfentwintig jaar niet meer gehoord. Ik herinnerde mij een ijl, licht melancholiek geluid, met soms schrijnende, soms getergde ondertonen. Matthews bleek al die jaren gewoon doorgeschreven en doorgezongen te hebben, alleen en in groepjes, op het podium en op CD, in Europa en Amerika.

En nu stond hij tegen de deurpost geleund van café annex boerderij annex concertstal De Amer, in Amen, links en rechts wat babbelend met de langzaam binnendruppelende bezoekers van het concert dat hij straks met zijn vaste duo-gitarist Ad van der Veen zou gaan geven op de voormalige deel. De Amer was uitverkocht: tachtig betalende bezoekers. De eerste rij zat zowat bij de artiesten op schoot.

Muzikaal was er zo te horen in Matthews' oeuvre niet al te veel veranderd, maar wat zou dat. Het geluid was goed, de gitaren deden het nog best, en Matthews zong nog steeds even mooi – of het nu om een weemoedig liefdesliedje, een grotestadsrocksong of een romantisch folktokkeltje ging. Fijne samenzang met Van der Veen ook. Het concert besloeg drie sessies van maar liefst drie kwartier. Welwillend publiek, opperbeste stemming. En in de pauzes waren er broodjes en gehaktballen en gesigneerde CD's in het halletje, en bier en jenever in de bijbehorende kroeg. Buiten bleef het gestaag regenen en tussen de bomen en op de akkers in de verte begon het al donker te worden. Het was duidelijk dat men op dit uur van de dag nergens beter kon zijn dan hier, in deze grote warme huiskamer, bij deze twee rondtrekkende barden die zongen over wat zij onderweg zoal hadden opgevangen over verre oorden en vreemde tijden.

Het liep in het derde en laatste deel uit op wat mij het hoogtepunt van het concert leek: een lang, door Matthews a capella gezongen lied. Hij verhaalde, in rijmend Engels, van een ontmoeting met iemand die op weg was naar een boerderij en die daar, voorzover ik het kon volgen, wilde gaan kamperen (camp out on the land), maar ook in een band wilde gaan spelen (op land rijmde rock and roll band) en daarbij ook nog eens wilde proberen zijn ziel te bevrijden (try to set my soul free). Maar al snel verloor ik het contact met de tekst, omdat het lastig is, vreemd genoeg, te luisteren naar iemand die anderhalve meter voor je zit te zingen. Ik begreep nog wel dat de ik-figuur graag met die boerderij-jongen mee wilde, en dat mocht geloof ik ook wel, maar waarom wilde hij dat? I feel like a cog zong Matthews namens hem, en met snerpende ondertoon, maar wat was een cog eigenlijk? En even later nog zo'n indringend gezongen regel die de aandacht trok: we are billion year old carbon. Wat was carbon ook al weer? Carbon, carbonpapier? Steenkool? Of koolstof? En wat moesten we eigenlijk aanvangen met het besef dat we gemaakt waren van eeuwenoud koolstof? Zou ons dat vrolijk moeten stemmen of juist niet?

Intussen begon de melodie mij vaag bekend voor te komen, maar pas toen ik het woord Woodstock hoorde, wist ik waar ik naar had zitten luisteren: naar een a capella uitvoering van het lied `Woodstock', ooit, in 1970, een bescheiden hit geweest, en toen blijkbaar in mijn geheugen beland, in de zoetgevooisde, akelig weemoedige uitvoering van Matthews Southern Comfort, met dezelfde Matthews als zanger. Dat lied was, had ik altijd begrepen, het lijflied van een oudere generatie, een verheerlijking van het hippie-gevoel zoals zich dat op het legendarische Woodstock-festival (augustus 1969) aan de wereld had meegedeeld. Maar hoe verhield die flower power en de geest van een nieuwe tijd zich eigenlijk tot het eeuwenoude carbon, en tot de daarin opgesloten eeuwenoude gedachte dat wij stof waren en tot stof zouden wederkeren? De uitvoering in Amen, hoe mooi en stemmig ook, gaf er eerlijk gezegd geen antwoord op, en de later geraadpleegde oertekst en oerversie van Joni Mitchell (ook uit 1970) evenmin. `Woodstock' is inderdaad het lied van een eenzame zinzoeker, dolend langs de wegen, die zich voelt als een klein radertje (cog) in een grote machinerie, die niet meer weet wie hij is, maar die beweert wel bereid te zijn iets te leren. En dus gaat hij mee, met die andere zinzoeker, naar die boerderij, naar Yasgurs farm. Daar aangekomen blijken zij niet de enige zinzoekers te zijn. Hun gezelschap is vanzelf en ongemerkt uitgegroeid tot een half miljoen mensen, en dan blijken we ons dus te bevinden in Woodstock, met muziek en feest en dromen van bommenwerpers die zomaar veranderen in vlinders. En dat leidt dan tot de hoopvolle gedachte dat het, ook al zijn we dan van koolstof gemaakt en ook al hebben we onze ziel allang aan de duivel verkocht, nog niet te laat is. And we got to get ourselves back to the garden luidt de vaak herhaalde refreinregel. Dat is, als ik het goed zie, de grote tegenstelling hier: carbon tegenover garden. Terug naar de tuin: het is opmerkelijk hoe bijbels het er allemaal uitziet. Yasgurs farm als de hof van Eden. Drie dagen Woodstock als een nieuwe scheppingsweek. Een half miljoen zingende zinzoekers als de nieuwe Adammen en Eva's. Het paradijs teruggevonden – en nu maar zorgen dat we er niet opnieuw uit verdreven worden.

Het is een mooi gegeven, en er hoorde, in 1970, de geest van opwinding bij, het gevoel aan de vooravond te staan van een nieuwe tijd. Dertig jaar later zingt dezelfde zanger hetzelfde lied nog steeds, maar intussen is het een historische ballade geworden, een verhaal over een omwenteling die maar niet kwam – en dat gaf een licht knagend gevoel, daar in Amen. By the time we got to Woodstock/ we were half a million strong zong Matthews – en even later gingen tachtig veertigplussers weer tevreden naar huis, de steenkoolzwarte nacht in.