Fijne etsen en verbaal geweld

Nathalie Sarraute zei het al een halve eeuw geleden: schilderkunst en muziek hebben, in de twintigste eeuw, een voorsprong op de literatuur. Woorden gebruikt iedereen, ze worden banaal, ze raken uitgehold. De taal dient overal voor. De schilderkunst en de muziek daarentegen, staan louter ter beschikking van schilders en musici en dat geeft hen een grotere kans op het ontwikkelen van nieuwe, pure kunstvormen. Vandaar dat schrijvers diep in hun hart altijd een zekere jaloezie voelen ten aanzien van schilders en musici – nog steeds volgens Sarraute.

Het dilemma van de kunstvorm moet ook Pascal Quignard en Yann Appery bezig hebben gehouden. Beiden zijn musici, beiden zijn schrijvers, beiden situeerden hun bekroonde romans in het Italië van de schilderkunst – Rome en Venetië – en beiden laten niet af aan schilders te refereren.

Pascal Quignard (52) werkte vijfentwintig jaar bij uitgeverij Gallimard, schreef vele romans, essays, verhalen en libretto's en was, als cellist, jarenlang de drijvende kracht achter het internationale barokfestival voor opera en toneel in het Château de Versailles. In 1994 besloot hij zich uit het openbare leven terug te trekken en zich verder aan schrijven en musiceren te wijden. Twee jaar geleden verscheen het veel besproken, tot geen enkel genre behorende Vie secrète, waarvoor Quignard bevlogen putte uit zijn innerlijk landschap, dat zich uitstrekt van het oude Rome tot de barok van de zeventiende eeuw, van het taoïstische China tot de Griekse mythologie, van Georges Bataille tot Emily Brontë en Montaigne. Het onlangs bekroonde Terrasse à Rome (Grand Prix du roman de l'Académie Française), heeft niets van de erudiete, wervelende onstuimigheid van Quignards vorige boek. Het is het fictieve levensverhaal van een zeventiende-eeuwse graveur, Geoffroy Meaume (1617-1667), vriend en tijdgenoot van de schilder Claude Lorrain. Als leerling-graveur in het atelier van Jean Heemkers in Brugge, wordt de jonge Meaume verliefd op de dochter van een edelsmid, die zijn liefde beantwoordt. Haar vader heeft voor haar echter al een huwelijkscontract afgesloten en de jaloerse toekomstige echtgenoot verminkt zijn rivaal door hem een fles zuur in zijn gezicht te gooien. Meaume wordt een onherkenbaar monster en zijn geliefde keert zich walgend van hem af. Daarop verlaat hij Brugge en zwerft als rondreizend kunstenaar door Europa. Hij vestigt zich uiteindelijk op één van de heuvels van Rome en verdient de kost met de verkoop van ansichtkaarten en etsen met scabreuze afbeeldingen. Op een dag wordt hij in zijn wijngaard aangevallen door een onbekende Vlaamse jongeman die op zoek is naar zijn vader en sprekend op zijn vroegere geliefde lijkt. Kort daarna sterft Meaume, in Utrecht, in het huis van de Hollandse schilder Gerard van Honthorst.

Veel meer komen we niet te weten over Quignards graveur. In 48 korte tekstjes ontstaat een zakelijke zwart-wit afbeelding van de man, zonder nuances, zonder emoties, zonder psychologie. Nu eens is hij 40, dan weer 35, nu eens maakt hij landschappen, dan weer etst hij een gehurkte non. Aardse dialogen worden afgewisseld met beschrijvingen van schilderijen, aforismen en uitspraken van Aristoteles of de Romeinse consul Appius Claudius. Kwistig strooit Quignard met wijsheden die misschien wel erg wijs zijn, maar voor de lezer toch bitter weinig verband lijken te houden met de man wiens leven hij als uitgangspunt neemt. Wat te doen met mooie zinnen als `Er is een leeftijd waarop men niet meer het leven ontmoet, maar de tijd' of `Zin geven aan wat men bemint, is liegen' die verder in het luchtledige blijven hangen. Quignard schrijft zoals de etskunst van Meaume zich ontwikkelt: `steeds leger wordende landschappen, steeds duister wordende ruïnes, zeeën met een minuscuul bootje aan de einder, zo ver weg als maar kan' – onthecht, verheven, tot op het bot uitgekleed.

Nee, dan de musicus van Yann Apperry. Die weet zich omgeven met wolken van adjectieven en bloemrijke, barokke woordregisters. Apperry (28), die eerder twee romans publiceerde, is ook musicus en schreef al vele libretti. Zijn roman Diabolus in musica werd bekroond met de Prix Médicis. Op de hoofdpersoon, met de welluidende naam Moe Insanguine, rust een doem sinds de dag van zijn geboorte, omdat toen niet alleen zijn moeder, maar ook zijn grootvader stierf. Het naar binnen gerichte kind groeit op bij zijn gewelddadige, aan de drank verslaafde vader, die, de schim van een verloren liefde najagend, schietend door de bossen zwerft en in een everzwijn zijn eeuwige vijand heeft ontdekt. Bij de excentrieke dorpsorganist, Paolo Durante, ontdekt Moe de wereld van de muziek en, een paar jaar later, zijn roeping van componist. Het uit een psychiatrische kliniek ontsnapte meisje Anna Lisa wijdt hem in in de liefde en de al even vreemdsoortige Lazarus Jesurum leert hem, op het Conservatorium in Rome, hoe je je aan vriendschap kunt laven, maar ook hoe je daaraan ten onder kunt gaan. Moe, en al de personages om hem heen, balanceren op een dunne draad tussen leven en dood. Moe zal zijn leven lang werken aan de `ballade ad vitam eternam', maar op het moment dat hij er werkelijk in slaagt deze ballade voor het eeuwige leven te componeren, sterft zijn beste vriend.

Het is een grimmige, barokke, duistere wereld die Apperry ons laat betreden, een wereld waar iedere tik van de metronoom nieuwe wonden slaat. Ieder crescendo leidt naar een exces, op iedere duizeling volgt een catastrofe. Er zit iets duivels in Apperry's compositie. Zijn personages zijn bezeten, zijn verhaallijn komt regelrecht uit het fantastische, Blauwbaard is nooit ver weg. En toch, al dat verbale, kleurrijke geweld, die bezwerende toon, die poëtische luminositeit – het is te overdadig, je wordt als lezer het verhaal niet ingetrokken, het raakt je niet.

Nathalie Sarraute had gelijk. In deze gevallen had je als lezer veel liever een ets van Quignards graveur onder ogen gehad. Of had je met eigen oren willen luisteren naar de ballade van Appery's componist. Dan was je wellicht ontroerd geraakt.

Pascal Quignard: Terrasse à Rome. Gallimard, 168 blz. ƒ42,30

Yann Apperry: Diabolus in musica. Grasset, 319 blz. ƒ55,80