Elf mondspooksels

Literatuurwetenschap is één groot misverstand. Althans, dat stelt Lucebertkenner Cornets de Groot in zijn bijdrage aan de bundel Licht is de wind der duisternis. In zijn ogen hoort goede kunst te verontrusten, terwijl wetenschap ons ten onrechte weer geruststelt. Literatuurwetenschap is dus een paradox; het wil verklaren, maar verduistert slechts. Hoe duizelingwekkend wordt het dan als die wetenschap ook nog eens paradoxale poëzie tot onderwerp heeft? En als je je dan bedenkt dat Lucebert het letterkundige en de letterkundigen verachtte, wordt de Lucebertvorser wel heel erg een `mondspooksel'. Waarschijnlijk zag redacteur Hans Groenewegen bij het bundelen van de essays in Licht is de wind der duisternis ook even sterretjes. Want de elf essays verschillen hemelsbreed van elkaar, niet alleen in visie, maar ook – en dat valt het meest op – in toon.

In het voorwoord vindt de redacteur twee leidraden. De dichtende lichtmens zweeg tussen 1965 en 1981 maar liefst zestien jaar, een raadsel dat hier opgelost gaat worden. En het late werk van Lucebert wordt eindelijk eens geanalyseerd. Hoewel de meeste artikelen aan deze twee onderwerpen raken, zingen andere thema's zich los, zoals: de paradox, de associatiekunst, het metrum van de lichamelijke taal, de verbanden tussen dichtkunst en doek en Luceberts tegenstrijdige verhouding tot religie, geboren in de aanloop van zijn dichterscarrière.

Het werk van Lucebert is in drie perioden op te delen (periode van dichten, van zwijgen en wederom van dichten) en je zou verwachten dat de essaybundel ook zo is ingedeeld. Maar het is de toon van de bijdragen die de bundel in drieën verdeelt. In het eerste deel sprankelen de citaten maar zijn de essays gortdroog, in het middelste deel is Lucebert zelf de woeste ridder van de ontledingskunst, en in het laatste deel zijn het de essayisten die gloeien van geestdrift.

De speelse citaten uit het eerste deel komen uit de aangevulde collectie van het Letterkundig Museum. Net als de vele gesprekken met vrienden van Lucebert dragen ze bij tot nieuwe inzichten. Het meest verrassend is Cornets de Groot, die de meester blijft in het vermakelijk uitpluizen van Luceberts associatiekunst. In een na zijn dood gevonden artikel kiepert hij rebels de Van Dale om en toont hoe de dichter neologismen smeedde. Van een andere orde, maar minstens zo bijzonder, zijn de kleurrijke tekeningen uit vriendenboekjes, die als een geheimzinnige woelgeest vooruitlopen op deel twee.

Daarin zoekt de dichter in het nog niet eerder gepubliceerde `De tortuur der muzen' geestdriftig naar `Don Quichotterie, waardoor de echte letterkundige, de persoonlijkheid zich kenmerkt'. Volgens Lucebert spatten er te weinig vonken van de letterkunde. Dat wordt goedgemaakt door Gilles Dorleijn en Arjen Mulder, die in het laatste deel een lans breken voor `het lichamelijk beleefbaar metrum'. Deze poëzie vergt ademtocht, wind in de wangen. In swingende taal ontrafelt Dorleijn het doodernstige en komische van de gedichten. Net als in de jazz roept de sound genot op, terwijl dat de luisteraar tegelijkertijd naar zijn strot grijpt: ziedaar de paradoxale harmonie. Schoonheid is pijnlijk, dat wisten we reeds (in het gedicht: `schoonheid, schoonheid haar gezicht verbrand' en in `De tortuur der muzen': `Schoonheid moet eenzaam, zwaar, gruwelijk, moeilijk zijn. De schoonheid van het moderne kunstwerk is vaak zo verschrikkelijk'), maar op deze manier is het een nieuw ervaren.

Arjen Mulder gaat een stap verder. Hij waagt zich aan een tegendraadse vergelijking van gedicht, foto, radio en tv. Zo stelt hij dat drukinkt de lichamelijke band tussen taal en woord doorbreekt (want waar blijft de klank), terwijl de schilderkunst de keten tussen lichaam en beeld handhaaft. Dus ging Lucebert over tot schilderen en zweeg. Prikkelend en – het moet gezegd – op het randje van de waarschijnlijkheid zet Mulder als uitroepteken zijn conclusie neer: door de komst van de tv hield Lucebert op met dichten, dat sindsdien geen zingen meer was.

Cyrille Offermans biedt in het afsluitende essay een verstandige aanvulling op Mulders verhaal. Hij koppelt de zwijgzame periode van Lucebert aan een algemene tendens in de literatuur. Toen klassenstrijd en revolutie in de jaren zestig de boventoon gingen voeren, wilden veel schrijvers zich niet langer ophouden met kunst. Kunst werd iets elitairs. Gepaster was dan de woede in het doek te wurmen. Maar in tegenstelling tot Mulder beweert Offermans dat de vroegere en latere dichter niet zoveel van elkaar verschillen.

Deze tegengestelde opvattingen maken de bundel boeiend. Soms overlappen de auteurs elkaar, maar af en toe – en dan wordt het interessant – spreken de schrijvers elkaar ook volkomen tegen. En juist dit ploeteren laat perfect zien hoe persoonlijk iedere interpretatie blijft. Het verwarmt de gemoederen en relativeert tegelijkertijd de bedreven, inderdaad paradoxale literatuurwetenschap.

Hans Groenewegen (redactie): Licht is de wind der duisternis.

Over Lucebert. Essays. Historische Uitgeverij, 376 blz. ƒ57,50