Een labyrint van open plekken

Het grootste raadsel van Manon Uphoffs nieuwe bundel is de titel, Hij zegt dat ik niet dansen kan. Waar verwijst die naar? Geen van de bijeengebrachte stukken uit Volkskrant magazine, Optima en Trajectum heet zo. In één van de stukken komt weliswaar een mollig tienjarig meisje voor dat probeert de aandacht van de omstanders te trekken door ballet te dansen, maar het is niet een hij, maar de moeder die opmerkt dat ze niet dansen kan.

De titel is niet het enige raadsel van deze bundel. De lezer worstelt ook met de typering. Zijn dit essays? Nee, daarvoor missen ze een prikkelende stelling of een betogende lijn. Korte verhalen? Ook niet echt, daarvoor zijn de stukken te nadrukkelijk gerelateerd aan de realiteit. Soms volstaat Uphoff met de beschrijving van een fragment dat ze op televisie zag. Columns? Nee, daarvoor zijn de stukken wat te lang. De achterflap spreekt van `bezweringsformules'. Maar wat zijn dat?

Uphoff (1962) schrijft korte stukken over wat ze in haar omgeving observeert. Dat kan van alles zijn: twee dikke mensen op televisie, een jongetje dat een tekening maakt, een tentoonstelling die ze bezoekt. Als er al een thematische samenhang is in deze bundel, dan is het zintuiglijke ervaring en het omzetten daarvan in taal. Hoe is het om heel dik te zijn? Hoe is het om te verdwijnen? Hoe is het om als eerste een woord uit te spreken? In `De poëzie van de kleine kwaal' schrijft Uphoff aanstekelijk over de achtergrond van haar obsessie voor zintuigelijkheid en taal, die te maken heeft met haar hypochondrische familie die `ziekte een warm hart toedraagt'. Alle dertien kinderen zijn getraind in het geven van secure omschrijvingen van elke lichamelijke kwaal, hoe minuscuul ook, die ze treft. Natuurlijk is dat in een groot gezin een manier om aandacht te vragen, maar ook, schrijft Uphoff, vonden ze in de taal van de ziekte iets wat bevredigde. `Het draaide niet alleen om de pijnen, een kwaaltje op zichzelf, maar ook om de fraaiste omschrijving, de nauwkeurige benadering, de beste verwoording van een fysieke sensatie.'

Daarmee omschrijft Uphoff wat zij goed kan. In `Ogen', een van de beste stukken in deze bundel, vertelt ze over haar bijziendheid. Ze heeft min twaalf. Als ze 's ochtends haar lenzen indoet, is er altijd de opluchting dat de wereld krimpt en herkenbaar wordt. Zonder haar lenzen, haar `flexibele en wasbare cameraatjes', wordt de omgeving wazig en diffuus als een `uitgelopen aquarel'. Maar als ze haar lenzen weer uitdoet, bevindt ze zich in een minder scherp omlijnde ruimte, waarin de illusie zegeviert. Tegenwoordig kun je met een laser je ogen laten opereren. Uphoff kiest er bewust voor om dat niet te doen. Ze omschrijft haar bijziendheid als een soort literaire conditie. `Ik ben gehecht geraakt aan de open plekken die ik zelf moet invullen.'

De lezer wordt in de stukken van Uphoff voor veel open plekken gesteld. In `Bij schaamte en naaktheid', gaat Uphoff bijvoorbeeld op zoek naar het verschil tussen die twee begrippen. De laatste zinnen komen als een verrassing voor de lezer. `Schaamte. IJzersterk woord. Buigzaam ook. Het heeft een binnen- en een buitenkant. Vouw het open. Daar is naaktheid.' Prachtig! Maar wat staat daar nu eigenlijk? Over Sarah Kane, de jonge vrouw die op haar 28-ste zelfmoord pleegde en wier gewelddadige stuk Blasted veel opschudding veroorzaakte, schrijft Uphoff: `In Blasted heeft het geweld geen betekenis, maar is de betekenis'. Klinkt goed, denk je als lezer, maar wat is het verschil tussen betekenis `hebben' en betekenis `zijn'? De zinnen bevatten een soort mooi geformuleerde clou, dat voel je wel aan. Maar welke clou? Uphoff legt het niet uit, en dat is de zwakte van deze bundel. Tegelijkertijd zijn dit soort mooie, suggestieve zinnen (`bezweringsformules'?) ook Uphoffs kracht. Soms zorgt één mooie zin of vergelijking ervoor dat je met veel plezier terugkijkt op een zojuist gelezen stuk. Zo vergelijkt Uphoff een verlegen slager die vol overgave zijn klanten helpt met `vrouwen die te gul beminnen' en omschrijft ze `zelfreiniging' met het `meteen na het bedrijven van de liefde schone lakens op je bed leggen', of kunnen verliefde mensen, hoe lelijk ze ook zijn, `elkaar mooi schrijven'.

In Hij zegt dat ik niet dansen kan kijkt de lezer mee door de ogen van Uphoff. Soms draagt de schrijfster lenzen. Dan is haar pen scherp als een camera die de medemens genadeloos fileert. Vaker verkiest Uphoff haar lenzen uit te doen en schetst zij een wazige ruimte zonder scherpe omlijningen. Op de momenten dat Uphoff haar ogen te rusten geeft, gebeurt het soms dat de bijziendheid zo hoog (min twaalf!) is, dat je in het duister tast en de weg kwijtraakt in Uphoffs labyrint van open plekken. Maar het is dezelfde bijziende conditie waarmee Uphoff soms ook de lezer weet te `bezweren' in haar wereld van fysieke sensaties.

Manon Uphoff: Hij zegt dat ik niet dansen kan.

Podium, 156 blz. ƒ29,90