`Door Da Cunha ben ik Portugees gaan studeren'

August Willemsen vertaalt het complete werk van Fernando Pessoa. Deze week publiceerde hij een monografie van de dichter.

August Willemsen heeft de kist nog nooit gezien. In de legendarische kist van de Portugese auteur Fernando Pessoa (1888-1935) werd na diens dood een ongepubliceerd oeuvre aangetroffen, ruim 27 duizend losse velletjes. In Portugal is men bezig met de definitieve uitgave, in Nederland gevolgd door uitgeverij De Arbeiderspers met de `Pessoa-bibliotheek', het complete werk in de vertaling van Willemsen. Enkele maanden geleden verscheen het eerste deel, De stoïcijn. Nu is Het uur van de duivel uitgekomen, een jeugdwerk, samen met Willemsens Pessoa-monografie, Het ik als vreemde.

Ik tref August Willemsen (1936) in zijn huis in de Amsterdamse Bijlmer, een paar dagen voordat hij weer naar Australië vertrekt, waar hij een groot deel van het jaar woont. In de winter van 1958-59 las Willemsen een boek, dat hem ertoe aanzette Portugees te gaan studeren: De binnenlanden (Os Sertões) van de Braziliaan Euclides da Cunha. Het boek verhaalt over een volksopstand in Canudos, geleid door de religieuze fanaticus António Conselheiro, en de daarop volgende burgeroorlog in 1896-97.

Willemsen: ,,Destijds woonde ik bij de moeder van een vriend van me, Jaap Hillenius. Hij bewoonde op zolder de grote achterkamer, ik een klein voorkamertje. Jaap was toevallig op dat boek De binnenlanden gestuit en vertelde me erover. Toen ik het ook las raakte ik er door gefascineerd. Wat me trof, was de beschrijving van de waanzin van het geloof. Niet alleen het geloof van de fanatieke opstandelingen die zich rondom António Conselheiro geschaard hadden, ook het geloof van de Republikeinse regering en de kerk. Ze hadden de overtuiging dat de opstandelingen gevaarlijk en fout waren en dat zij het bij het rechte eind hadden. Daarom stuurden ze steeds grotere legerexpedities naar Canudos, wel vier keer, zonder iets te weten van de lokale omstandigheden van de binnenlanden. Het werd een echte guerrilla.

,,Het verhaal leidt met noodlottige zekerheid naar een verschrikkelijke climax, het uitmoorden van duizenden mensen. Het eindigt met de pathetische beschrijving van de laatste vier opstandelingen, die nog vanuit de loopgraven blijven vechten voor een verloren zaak. De waanzin ten top, een hele treurige waanzin. De stijl van Da Cunha vond ik geweldig. Ik dacht, dit wil ik in de oorspronkelijke taal lezen. Dat is een van de voornaamste drijfveren geweest om Portugees te gaan studeren, wat ik een paar jaar later ben gaan doen.

,,Ik heb De Binnenlanden gelezen op het moment dat ik ophield met muziek. Ik speelde piano en een tijdje hobo. Daarna wist ik niet goed wat ik moest doen. Anderhalf jaar heb ik in de reclame gezeten, ik werkte bij het bureau van J. Walter Thompson. `Chocomel proef je wel' is een van de slogans die ik heb bedacht; ze hebben hem nog vrij lang gebruikt. Het werk was leuk en leerzaam, maar ik vond dat ik meer moest doen. Ik begon me te verdiepen in de Portugese en Braziliaanse literatuur en ging dat steeds interessanter vinden. In 1961, op mijn vijfentwintigste, ben ik halve dagen gaan werken en met de studie begonnen. Ik twijfelde nog een beetje. Een cursus over Pessoa gaf de doorslag.

,,Er is een criticus geweest die heeft gezegd: het land is de hoofdpersoon van Os Sertões. Ik wilde de plaats van handeling bezoeken, zo gegrepen was ik door Da Cunha's beschrijving.'' In 1967 woonde Willmsen een jaar in São Paulo, om zich te specialiseren in de Braziliaanse literatuur. Aan het eind, begin 1968, reisde hij met zijn eerste vrouw vijf weken door het land, en kwam uiteindelijk bij het noordelijke Canudos aan. In Braziliaanse brieven schrijft Willemsen: `Ik beklim de Favela, de heuvel vanwaar de zware artillerie bombardeerde. Aan de voet daarvan de Vaza-Barrisrivier; aan de overkant de leegte van 5000 krotten, als een negatief van Canudos, het lemen bolwerk van de `fanatici', verpulverd door de Krupp-kanonnen van de Braziliaanse regering. Het is me vreemd te moede. Een gebeurtenis uit 1896/97 reist door de tijd, in het boek van Euclides da Cunha, van 1902, in de vertaling van De Jong, van 1954, die ik lees in 1958, en bepaalt mijn beroepskeus en voor een deel mijn levensloop. Daarom sta ik hier. Dit heb ik willen zien.'

Willemsen: ,,Het was de laatste mogelijkheid om die plaats nog te zien, een jaar daarna hebben ze daar een enorm stuwmeer gemaakt. Die hele historische plaats is verdwenen; toen Mario Vargas Llosa erheen ging voor zijn boek De oorlog van het einde van de wereld zag hij alleen maar water. Het dorp is in de oorlog verwoest, daarna weer opgebouwd en toen verlaten. De krotten die ik gezien heb waren dus niet de oorspronkelijke ruïnes van de oorlog. Ik heb ook gesproken met de laatste drie inwoners van Canudos.''

Willemsen was bezig met een vertaling van Os Sertões toen hij gevraagd werd voor het complete werk van Pessoa. Dat project gaat jaren duren, maar misschien dat Willemsen ooit nog aan Da Cunha's werk toekomt. ,,Het is een boek dat verdient compleet vertaald te worden'', zegt hij. ,,De vertaling van De Jong, die mijn leraar Portugees was, beslaat slechts twee derde van het boek. Stilistisch is zijn vertaling niet altijd op het niveau van het origineel; dat is een gecontroleerd soort van woeste taal. Lyrische barok, zo heeft men het wel omschreven, stilistisch vol contradicties. Men weet niet goed hoe het boek te plaatsen. Het is geen roman, en voor een essay is het te bewogen. Het is een heleboel boeken in één boek.

,,Da Cunha heeft de rebellenoorlog zelf meegemaakt, in de laatste fase, als journalist. Hij is van mening veranderd door wat hij zag: hij werd zich bewust van de kloof die er was, die er nog steeds is trouwens, tussen de beschaving aan de rand, langs de kust van Brazilië, en cultuur van het binnenland. Ik heb dat zelf gemerkt, als je van een stad als Rio of São Paulo honderdvijftig kilometer het land ingaat, dan ben je meteen een eeuw terug in de tijd.

,,Het is nog steeds zo dat veel stadsbewoners niets van het eigen land weten. In die tijd zal het erger geweest zijn, en dat blijkt uit dit boek. Wat het zo aangrijpend maakt, is de bewustwording van de schrijver van die splitsing tussen zijn eigen landgenoten. De mensen in de binnenlanden zijn landgenoten en tegelijk vreemden. Da Cunha trekt in zijn boek partij voor de jagunços, de opstandelingen. Terwijl hij zelf hoorde bij de beschaving. Hij spreekt met bewondering over de taaiheid van de jagunço. Het is boek is een lofzang op zijn listigheid en mentale kracht.''

Euclides da Cunha: Os Sertões. Vertaald als De Binnenlanden door Dr. M. de Jong, Wereldbibliotheek, 1954. Duitse vertaling: Krieg im Sertao, Suhrkamp Verlag, 98 DM.