Brief van Ruusbroec ontdekt

In de bibliotheek van het Corpus Christi College in Cambridge is een tot nu toe onbekende brief van de Brabantse mysticus Jan van Ruusbroec ontdekt. Ruusbroec (1293-1381) geldt als een van de belangrijkste auteurs van de Middelnederlandse geestelijke letterkunde.

Sinds de Middeleeuwen heeft het bekende oeuvre van Ruusbroec een omvang van elf traktaten en zeven brieven. Zijn bekendste werk is Die cierheit der gheestelike brulocht. Deze achtste brief werd bij toeval ontdekt door de mediëvist Kees Schepers, die verbonden is aan de Rijsuniversiteit Groningen en de Universiteit Antwerpen. Het aan die laatste universiteit gelieerde Ruusbroecgenootschap werkt aan een kritische editie van het hele oeuvre van de mysticus.

Schepers vond de brief in een doos tijdens zijn onderzoek naar de vertalingen in het Latijn die Willem Jordaens (ca. 1321-1372) van Ruusbroecs werk maakte. Ook deze in het Latijn geschreven brief is door Ruusbroec opgesteld samen met zijn vriend en huisgenoot, de academisch geschoolde Jordaens. Ruusbroec beheerste het Latijn onvoldoende.

De brief is een antwoord op een schrijven van een Zuid-Duitse mysticus die van Ruusbroec wilde weten hoe het mogelijk is de goddelijke inspiratie te onderscheiden van de influisteringen van de duivel. Om Ruusbroec gunstig te stemmen had de Duitser ook enige geschenken bijgevoegd. De Brabander antwoorddde met een kort overzicht van de vijf groepen van contemplatieve geestelijken die er volgens hem bestaan. In de tekst, die zo'n zeventig regels omvat, staan talrijke overeenkomsten met Ruusbroecs Die geestelike bulocht, bijvoorbeeld aangaande het aantal keer dat iemand ter communie mag gaan.

Waarschijnlijk is de brief ergens tussen 1350 en 1380 geschreven. Wat Schepers heeft aangetroffen is een kopie uit 1430, die onderdeel uitmaakt van een in de loop der eeuwen vooral door waterschade zwaar aangetast manuscript. Dat is in de zeventiende eeuw door een Engels echtpaar naar Cambridge gebracht. Het maakte daarvoor deel uit van een verzameling handschriften in de Oost-Pruisische stad Elbing (het tegenwoordige Elblag in Polen), die nauwelijks verzorgd lag opgeslagen in een evangelisch gymnasium wegens haar katholieke karakter. Vermoedelijk is de brief in Cambridge altijd onopgemerkt gebleven door de geringe bekendheid die Ruusbroec daar geniet.

Volgens Schepers ligt het belang van zijn ontdekking niet alleen in de inhoud van de tekst. ,,Hieruit blijkt iets wat we al langer vermoedden, namelijk dat Ruusbroec schriftelijk contact onderhield met bewonderaars uit de rest van Europa en dat hij voor zijn contacten met de hogere intellectuele wereld de hulp kreeg van Jordaens. Er is wel gesproken over meer brieven van hem, maar die zijn nooit gevonden.'' Schepers verwacht volgend jaar een kritische bespreking van de tekst te kunnen publiceren.